Christus in de Psalmen - Psalm 118

Psalm 118 is de laatste in de reeks 113 – 118, die de “Egyptische hallel” wordt genoemd. Hallel betekent lof (halleluja = loof Jahweh); de term wordt gebruikt voor enkele reeksen lofliederen die bij de grote feesten werden gezongen. Deze reeks heet ‘Egyptisch’ omdat de verlossing uit Egypte er in wordt genoemd, in Psalm 114. Maar ook de overige psalmen in deze reeks zijn lofliederen op Gods hulp aan Zijn volk. Ook in deze Psalm 118 vinden we verwijzingen naar de verlossing uit Egypte: vers 14 is een aanhaling uit het lied van Mozes, waarin hij God dankt voor hun verlossing bij de Schelfzee. Volgens de Joodse traditie worden deze Psalmen dan ook gezongen met Pasen. Volgens sommige commentaren is Psalm 118 geschreven bij de wederopbouw van Jeruzalem, na de ballingschap in Babel, meer in het bijzonder bij de voltooiing van de muur. Zij waren verlost door Gods machtige hand, en konden nu de stad, en vooral de tempel, opnieuw in gebruik nemen.

Beeld van de verlossing

Op zich vertonen beide thema’s, de bevrijding uit de slavernij in Egypte en de bevrijding uit de ballingschap in Babel, een aantal overeenkomsten. Bovendien zijn beide thema’s bij uitstek geschikt om de grotere verlossing uit de slavernij van de zonde te beschrijven. Daarom past Jezus een deel van deze Psalm op zichzelf toe, en verwijzen ook de evangelisten ernaar. Dat de bevrijding uit Egypte model staat voor onze verlossing zien we op een aantal plaatsen in het Nieuwe Testament. De tocht door de Schelfzee wordt vergeleken met de doop, en de tocht van Israël naar het beloofde land met onze reis naar het beloofde koninkrijk. Hetzelfde zien we in een vergelijking met Babel. Babel wordt gebruikt als beeld van een mensheid die niet leeft naar Gods wil. Als de Israëlieten te ver afdwalen worden zij teruggebracht naar Babel, omdat zij dan niet meer thuishoren in het land dat God voor hen uit-gekozen had. Maar in Babel worden zij opgeroepen om rein te worden, en weer uit Babel te vertrekken, om geen deel te hebben aan haar zonden (Jesaja 52:11). Parallel hiermee staat de verlossing door de “knecht” (zie de eerdere artikelen over Christus in profetie). Hij zal tot de gevangenen zeggen: “Gaat uit”. Deze oproep zien we dan ook herhaald in Openbaring (18:4). Jesaja laat zien hoe God uiteindelijk Zijn volk “vrijkoopt”. Hij treedt op als losser (verlosser) van Zijn volk.

Psalm 118 beschrijft de gelovige die weer op mag gaan naar Jeruzalem, om God daar te danken. Hij beschrijft een zegevierende optocht naar de tempel, bij het Paasfeest, met herinneringen aan de verlossing uit Egypte waar Gods verlossende hand zo duidelijk zichtbaar was.

Ook dat lied van Mozes eindigt overigens op “de berg die uw domein is, heer”, en “uw eigen woning, het heiligdom door u gebouwd” (Exodus 15:17), dat heiligdom dat later in Jeruzalem zou komen. De “ik” in deze Psalm kan dan zowel slaan op het volk als geheel als op elk individu in die optrekkende menigte. Hij komt aan bij de poort (vers 19-21), gaat op weg naar de tempel (vers 26), om uiteindelijk uit te komen bij het altaar, om daar te offeren (vers 27). Dit zijn ook de woorden die het volk, voor het Paasfeest op weg naar Jeruzalem, zingt als het takken en klederen op de weg spreidt en Jezus looft (Matteüs 21:9). En juist in dat verband lezen we de woorden: “De steen die de bouwers afkeurden is een hoeksteen geworden. Dit is het werk van de heer, een wonder in onze ogen" (Psalm 118:22-23). Dit zijn de woorden die Jezus op zichzelf toepast (o.a. in Matteüs 21:42). Maar om te weten waarom Hij dat doet, zullen we moeten begrijpen wat de psalmist nu precies met deze woorden bedoelt. Wat is het grotere verband van deze psalm?

Een kostbare hoeksteen

Wellicht is het antwoord te vinden in Jesaja 28. Jesaja beschrijft hier de situatie in Juda voordat het volk in ballingschap naar Babel werd gevoerd. Enerzijds was het volk ervan overtuigd dat de tempel nooit verwoest zou worden. Maar anderzijds sloten zij verbonden met andere volken om sterk te staan tegen vijandige volken, in plaats van op God te vertrouwen. Wat Jesaja beschrijft, is een oordeel dat God gaat brengen over Zijn volk, omdat het steeds verder afdwaalt. Dat oordeel zou uiteindelijk die ballingschap in Babel zijn. Als zij niet naar God willen luisteren dan zullen ze luisteren naar de vreemde taal van overheersende volken. Dan zou het afgelopen zijn met de rust en vrede in eigen land. “Door mensen met een vreemde tongval, in een andere taal, spreekt de heer tot dit volk. Ooit heeft hij tegen hen gezegd: ‘Hier is rust, hier vind je verpozing, laat wie vermoeid is hier rusten.’ Maar ze weigerden naar Hem te luisteren” (Jesaja 28:11-12). De leiders van het volk achten zich veilig voor een aanval vanuit Assur/Babel, omdat zij een verbond hebben gesloten met Egypte (wat Jesaja een ‘verbond met de dood’ noemt). Zij doen niet wat Jesaja zegt, namelijk zich werkelijk bekeren en dan hun vertrouwen volledig op God stellen. Daarom zal het ook werkelijk een verbond met de dood blijken te zijn. Juist in dat verband, dat alleen degene die werkelijk gelooft, behouden zal worden, zegt God door Jesaja: “Ik leg in Sion een fundament met een uitgelezen grondsteen, een kostbare hoeksteen. Wie zijn vertrouwen daarop grondvest, hoeft geen andere toevlucht te zoeken” (Jesaja 28:16). Het is naar deze kostbare hoeksteen dat de psalmist verwijst. De bouwers, de leiders van het volk, verachtten die. Zij sloten liever politieke verbonden. Maar in het hele thema van deze Psalm 118, looft de gelovige, God omdat Hij hen uiteindelijk heeft gered, juist door hen een ballingschap te laten ondergaan. Nu het volk, terug in eigen land, tot inzicht is gekomen, en daar Jeruzalem en de tempel herstelt, ziet het in hoe God met hen is. “De heer heeft mij (weliswaar) gestraft, maar mij niet prijsgegeven aan de dood” (Psalm 118:18). Dat deze koppeling er ligt zien we ook in een brief van Petrus, maar daarover later meer.

Jezus, de afgekeurde hoeksteen

Deze achtergrond van de psalm blijkt inderdaad goed te passen in het evangelieverslag, en dan wordt het meteen helder waarom Jezus dit op zichzelf toepast. Vers 22 van de psalm wordt in alle drie de synoptische evangeliën geciteerd, en in alle drie meteen na de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters, hoewel Marcus verder nauwelijks gelijkenissen vermeldt. Deze gelijkenis is gericht tegen de Joodse leiders in Jeruzalem, wat zij ook duidelijk begrepen hebben. Jezus gebruikt het beeld van pachters. Het land is van God, en zij mogen in dat land wonen, onder voorwaarden die bij het binnentrekken ervan duidelijk zijn vastgelegd. Maar inmiddels menen ze daar recht op te hebben. Zij sluiten nu een verbond met de dood om de Zoon van God om te brengen. “Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe ... Toen de wijnbouwers (lett.: de pachters) de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: ‘Dat is de erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken’, en ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem” (Matteüs 21:37-39). Matteüs tekent uit de mond van de omstanders over die pachters op: “Laat hij ze ombrengen en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem afdragen wanneer het daar de tijd voor is”. Bij Lucas vinden we de reactie van de Joodse leiders, die precies begrepen wat Jezus bedoelde. Zij zeggen “Dat nooit” en proberen hem te grijpen. Het antwoord van Jezus hierop is dit vers uit de psalm. Met deze achtergrond voor ogen zien we dat het meer is dan alleen het verwerpen van de persoon Jezus, maar dat het gaat om het verwerpen van Gods verlossing, de kostbare hoeksteen in Sion, door leiders die liever een menselijk verbond sluiten om hun eigen positie veilig te stellen. Zij geven daarmee ook aan dat ze denken Gods oplossing te kunnen doorkruisen, zoals ook de pachters dachten de erfenis te kunnen verkrijgen door de zoon te doden.

Door Petrus aangehaald

Wanneer Petrus en Johannes worden gearresteerd, na iemand genezen te hebben, zeggen ze dat ze dit door de naam van Jezus hebben gedaan, en voegen er aan toe dat Jezus ter dood is gebracht door dezelfde Raad waar zij nu voor staan. Vervolgens zegt Petrus: “Hij is de steen die door u, de bouwlieden, vol verachting is weggeworpen, maar die nu de hoeksteen geworden is” (Handelingen 4:11). Ook Petrus legt dan meteen die koppeling met de verlossing die God geeft. In Jesaja zien we hoe God door de lijdende dienaar verlossing zal brengen, niet alleen voor het volk, maar voor de gehele wereld. “Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding (Hebr.: yeshuah) die ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt” (Jesaja 49:6). Dat woord yeshuah vinden we ook in de psalm wanneer Gods verlossing duidelijk is: “Ik loof U, omdat Gij mij geantwoord hebt en mij tot yeshuah geweest zijt” (Psalm 118:21, NBG’51). In de Griekse vertaling staat op beide plaatsen het woord sotèria (in het NT vertaald als behoudenis) waar Petrus zijn betoog mee vervolgt: “Door niemand anders kunnen wij worden gered, want zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt ” (Handelingen 4:12).

Later, in zijn eerste brief, zal Petrus de beide verzen over de hoeksteen citeren, en hij spreekt daarbij ook tot ons. Voor de gelovige geldt dat deze steen een uitgekozen (Jesaja 28:16) en kostbare hoeksteen is. Maar voor de ongelovige geldt dat deze, door de bouwlieden afgekeurde, steen nu een struikelblok is en een rotsblok waaraan men zich stoot (1 Petrus 2:6-8). Hij spreekt in dit verband over het bouwen van Gods huis, de tempel, waarvan Jezus de hoeksteen is. En hij moedigt de gelovigen aan zich te laten gebruiken als levende stenen bij de bouw van dat huis, om daarmee werkelijk hun dankbaarheid voor Gods verlossing te tonen. “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.” (1 Petrus 2:9-10, NBG’51).

Copyright © 2011 Broeders in Christus