Broeders in Christus

Christus in de wet: Grote Verzoendag

In de twee voorgaande studies hebben we gekeken naar twee essentiële aspecten van het oude verbond, namelijk de rol van het bloed en die van de priesters. Die twee komen samen op de belangrijkste dag van de Joodse religieuze kalender, de Grote verzoendag. Dit was de dag waarop verzoening werd gedaan voor het hele volk. Een gedetailleerde beschrijving van de activiteiten op die dag vinden we in Leviticus 16, met nog wat aanvullingen in Leviticus 23 en Numeri 29.

De ‘Grote verzoendag’

Het doel van die dag was “de verzoeningsrite voor de onreinheden en overtredingen van de Israëlieten, voor al hun zonden” (Leviticus 16:16). Daarom gold ook dat “ieder die zich op die dag niet zal verootmoedigen, zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten” (Leviticus 23:29, NBG’51). We kunnen hier niet alle details van dat ritueel herhalen, maar uit de gebeurtenissen en de volgorde daarvan kunnen we het volgende opmaken:

  • De hogepriester draagt speciale kleding, niet de gewone priesterkleding, en in het hele proces mag geen andere priester optreden, laat staan in het heiligdom komen. Hij is dus wel de vertegenwoordiger van het volk, maar niet als priester.
  • De hogepriester moet zich eerst volledig baden en speciale witte linnen klederen en onderklederen aantrekken – hij moet als hij hieraan begint een beeld van volkomen reinheid uitstralen. En zelfs dan moet hij eerst voor zichzelf nog een offer brengen, ter verzoening.
  • Van de beide geitenbokken wordt er door loting één gekozen als offer, en de ander als zondebok. Dat geeft aan dat beide dieren uitwisselbaar zijn en dus samen één gecombineerde betekenis hebben.
  • Het bloed van de ene bok wordt in het allerheiligste gebracht en op het verzoendeksel gesprenkeld, om verzoening te doen. De verzoeningsrite dient om de verbondsrelatie met God te herstellen, die door de zonde is verbroken. Daarna wordt het ook aan de hoornen van het brandofferaltaar gestreken, omdat zelfs dat door hun overtredingen verontreinigd is. Reinheid wordt aangetast door onreinheid, niet andersom. De rest van dit offerdier moest buiten de legerplaats verbrand worden.
  • De zonden van het volk worden dan symbolisch overgedragen op de andere bok: “Zo legt hij alle zonden op de kop van de bok” (Leviticus 16:21). Die bok wordt vervolgens weggebracht, de woestijn in, en neemt de zonden van het volk als het ware mee. Daarmee is de zonde dus niet zozeer vergeven, maar volledig weggedaan: hij is er niet meer.
  • De verbondsrelatie was verbroken door de zonde, maar het ritueel begint met de verzoening met God. Eerst wordt dus de verbondsrelatie hersteld, en pas daarna worden de zonden weggedaan, hoewel je zou verwachten dat eerst de zonde weggedaan zou moeten worden voordat de relatie zou kunnen worden hersteld.

Het herstel

Elk 50e jaar was er bovendien nog extra, iets bijzonders:

Na verloop van zeven sabbatsjaren, na zeven maal zeven jaar, wanneer er negenenveertig jaren verstreken zijn, moeten jullie op de tiende dag van de zevende maand de ramshoorn luid laten schallen. Op Grote verzoendag moet in heel het land de ramshoorn schallen. Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren (Leviticus 25:8-10).

Het hoorngeschal maakte duidelijk dat dit een heel bijzonder moment was, en hier werd de bijzondere positie van het volk duidelijk. We zien hier een koppeling tussen het herstel van iemands positie onder het volk en het herstel van zijn positie bij God. Want dat 50e jaar (dat jubeljaar) was het jaar waarin iedereen zijn erfrecht terugkreeg als hij door tegenspoed genoodzaakt was geweest om alles te verkopen; hij werd dan hersteld in zijn positie. Alleen wanneer zij hun naaste op praktische wijze hielpen (door alles zonder betaling terug te geven) was er ook een verbondsrelatie met God. Want het was niet hun land, maar iets dat God hun op bepaalde voorwaarden in bruikleen gegeven had.

De tekortkomingen van het oude verbond

Het is zeer de vraag of de Grote verzoendag ooit zo gehouden is als God die bedoeld had; we komen hem in de Schrift verder niet tegen. In de woestijn kon hij gevierd worden, maar het volk heeft daar toen uiteraard geen jubeljaar gevierd, want zolang duurde hun verblijf daar niet. Toen zij eenmaal in het land woonden zou dat beeld van de geitenbok, die als drager van hun zonden de woestijn ingestuurd werd, juist weer moeilijker te verwezenlijken zijn geweest. Het blazen op de ramshoorn in het jubeljaar zou toen wel weer goed mogelijk zijn. Tegenwoordig is ‘Yom Kippur’ de belangrijkste feestdag van de Joodse kalender, maar offers kunnen nu niet meer gebracht worden; het is daarom een dag van vasten en gebed. Los daarvan vinden we echter duidelijke en zeer nuttige lessen in deze Grote verzoendag. Belangrijk is daarbij dat die expliciet aantonen waar het oude verbond faalde. De hogepriester moest eerst zijn eigen relatie met God herstellen voordat hij dat kon doen voor het volk. Door zijn eigen zonden was er ook in zijn eigen verbondsrelatie met God een breuk gekomen. Daarmee was hij eigenlijk ongeschikt om op basis van een verbond voor het volk te pleiten. Als allereerste handeling moest Aäron daarom verzoening doen voor zichzelf en zijn huis: “De stier biedt Aäron aan als reinigingsoffer namens zichzelf, om voor zichzelf en zijn familie verzoening te bewerken” (Leviticus 16:6). Waar het aan mankeerde was een man die op basis van een eigen volmaakte reinheid het heiligdom in kon gaan, om daar werkelijk de verbondsrelatie te herstellen. En daarmee wees de Grote verzoendag bij uitstek vooruit naar Christus.

Christus als het volmaakte offer en de zondebok

De brief aan de Hebreeën gaat uitgebreid in op de tekortkomingen van de hogepriester onder het oude verbond, en het feit dat er steeds opnieuw om verzoening moest worden gevraagd. De schrijver vergelijkt dat met het offer van Christus. Met dat offer wordt dus blijkbaar de overeenkomende verzoening gedaan onder het nieuwe verbond.

Want als reeds het bloed van bokken en stieren … hen, die verontreinigd zijn, heiligt … hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die … Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond (Hebreeën 9:13-15, NBG’51).

De Grote verzoendag wees dus direct vooruit naar Christus, destijds nog onvolmaakt, maar in Christus volmaakt. De reinheid van de priester (die zich daarvoor wel vooraf moest reinigen) zien we in Christus in een geheel rein leven, zonder schuld of smet. Dat offer voor zijn eigen verzoening hoefde Hij niet te brengen, maar het beeld van de beide geitenbokken is des te toepasselijker. Waar onder de wet twee bokken nodig waren om de beide aspecten van het beeld te tonen, zien we die in Christus verbonden tot één. Evenzo verenigt hij ook het offerdier (die eerste bok) en de hogepriester die dat offer brengt. Hebreeën zegt daarover:

Christus daarentegen is aangetreden als hogepriester van al het goede dat ons is toebedacht: hij is door een indrukwekkender en volmaakter tent … voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan, en dan niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft hij een eeuwige verlossing verworven (Hebreeën 9:11-12).

En het lichaam van die bok werd daarna buiten het kamp vernietigd, zoals ook Jezus - zegt Hebreeën - zijn lichaam prijsgaf buiten de stad:

Het bloed dat bestemd is voor het reinigingsoffer wordt door de hogepriester het heiligdom binnengedragen, de kadavers van (die) offerdieren worden buiten het kamp verbrand. Daarom heeft ook Jezus, om met zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de stadspoort geleden. Laten we dus het kamp verlaten, ons bij hem voegen en delen in zijn vernedering (Hebreeën 13:11-13).

Door te delen in zijn lijden, door zijn discipelen te worden, mogen wij deel hebben aan dat nieuwe verbond. En zoals er eerst verzoening was en de tweede bok daarna de zonden van het volk in de woestijn liet verdwijnen, zo worden ook onze zonden volledig weggedaan nadat wij in het nieuwe verbond met God verzoend zijn:

Dat is uw roeping; ook Christus heeft geleden, om uwentwil, en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van hem die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam … Hij heeft in zijn lichaam onze zonden het kruishout op gedragen, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen (1 Petrus 2:21-24).

Zoals hun zonden met de bok verdwenen in de woestijn, zo zijn onze zonden weggedaan aan het kruis. Niet slechts vergeven, maar verdwenen. De grote verzoendag laat ons dus de volgorde zien. Door geloof in Jezus mogen wij in Gods genade deel hebben aan het nieuwe verbond. Door Jezus’ offer zijn wij verzoend met God; de relatie met God, die door de fout van Adam en al zijn nakomelingen verstoord was, is voor de gelovige weer hersteld. En op basis van dat herstel, zijn de zonden weggedaan.

De les van het jubeljaar

Dan willen we nog naar één ander aspect kijken: die koppeling met het jubeljaar. Dat was een jaar waarin men niet met zijn eigen zaken bezig was; er werd dan in de eerste plaats aan de volksgenoten gedacht, vooral zij die het moeilijk hadden. En ‘denken aan’ was niet iets theoretisch, hem werd alles teruggegeven wat hij had moeten afstaan. Hij kreeg zijn huis, zijn akkers, alles, terug, ook al had hij die moeten verkopen. En als hij knecht (slaaf) was geworden kreeg hij ook zijn vrijheid terug. Juist de koppeling met de verzoening van Grote verzoendag liet hen zien dat als zij zo met hun naaste omgingen, God hen vergeving wilde schenken. En dat principe is niet veranderd. Als wij God werkelijk liefhebben dan tonen we dat in de manier waarop we met onze naaste omgaan. Petrus schrijft: “Heb elkaar vóór alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden” (1 Petrus 4:8). En zo moeten ook wij onze dankbaarheid tonen voor de verzoening die wij ontvangen hebben.