Matteüs 25:46 - Een eeuwige straf

En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven. (Matteüs 25:46)

In onze taal heeft ‘eeuwig’ de betekenis van: onbegrensd in tijd. Maar in de Bijbel heeft het een andere nuance, en het is niet zonder belang dat we ons daarvan bewust zijn. Laten we dat woord daarom eens wat nader bekijken.

Het meest gebruikte Hebreeuwse woord voor eeuwig is olam. Het heeft gewoonlijk betrekking op Gods verbond met zijn trouwe dienaren: individuele mensen (zoals David) of zijn volk als geheel. Het beschrijft de aard daarvan, namelijk dat Hij niet terugkomt op zijn besluit. De gevoelswaarde is niet die van onbegrensde tijd, maar van iets dat definitief is, ‘voorgoed’, en dat dus niet meer verandert. In veruit de meeste gevallen ziet olam daarom ook vooruit: ‘van nu aan tot in eeuwigheid’. Het kijkt zelden terug, en ook dan voornamelijk als: ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’. De betekenis is dan dat Gods zorg voor de zijnen niet pas op een goede dag is begonnen, maar altijd al deel van zijn karakter is geweest. Zoals de omgang met hen niet weer zal ophouden, zo is zij ook niet echt pas op een bepaalde dag begonnen. Het benadrukt ook dan dus de onveranderlijkheid van God en niet een tijdsaspect.

Het belangrijkste Griekse woord, in het NT, is aionios. Het wordt meestal gebruikt voor het ‘eeuwige’ leven dat de getrouwe gelovige te wachten staat; en daarnaast, in een aantal gevallen, voor de ‘eeuwige’ dood of de ‘eeuwige’ straf die de ontrouwe dienaar te wachten staat. Ook hier staat dus het definitieve voorop: wat de gelovige bij het oordeel krijgt toebedeeld is definitief en onomkeerbaar. Het leven dat hij ontvangt zal hem nooit meer afgenomen worden; en de veroordeling die hem in het andere geval ten deel valt is evenzeer ‘voorgoed’. En omdat ook hier het tijdsaspect geen directe rol speelt mag je die straf dus niet als altijddurend uitleggen, maar alleen zo dat er geen hoop meer is op iets daarna. Vuur spreekt in zulke gevallen van definitieve vernietiging. Judas schrijft over Sodom en Gomorra dat zij ‘daar liggen onder een straf van eeuwig vuur’ (Judas 7). Maar wie nu gaat kijken ziet geen vuur, en dat was ook in de 1e eeuw al zo. Maar Sodom en Gomorra zijn, in tegenstelling tot andere steden, nooit meer herbouwd. De straf was definitief, en toen zij vernietigd waren kon het vuur doven, want het had zijn werk gedaan. Anders gezegd: het effect was eeuwig, ook nadat het vuur gedoofd was.

Dat verschil tussen ‘altijddurend’ en ‘definitief’ vinden we ook bij Jezus’ koningschap. Daniël schrijft daarover: Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen. (Daniël 7:27). Maar Paulus’ schrijft: En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader … Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’ ... En (dan) zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan (God), opdat God Zelf over alles en allen zal regeren (1 Korintiërs 15:24-28). Oppervlakkig gelezen lijkt dat met elkaar in tegenspraak, maar Daniël had ook gezegd: (te dien tijde) zal de God van de hemel een rijk laten opkomen dat nooit te gronde zal gaan en dat nooit op een ander volk zal overgaan (Daniël 2:44). Het zal dus niet weer ten val komen en er zal daarna geen ander koninkrijk meer zijn. Maar op een gegeven moment houdt ook zijn Koninkrijk op omdat het zijn doel bereikt heeft en het daarmee ‘overbodig’ is geworden. Als iedereen óf eeuwig leven heeft ontvangen, óf is weggedaan, valt er niets meer te regeren.

Het verwante woord eeuwigheid heeft in principe dezelfde lading als eeuwig, maar we vinden het vaak in de uitdrukking ‘in eeuwigheid der eeuwigheden’. Dat is een Hebreeuws superlatief (overtreffende trap), en dat geeft altijd extra nadruk. We vinden het daarom in de NBG’51 gewoonlijk vertaald met ‘in alle eeuwigheid/eeuwigheden’. De NBV vertaalt het soms met ‘voor eeuwig en altijd’, wat goed dat definitieve karakter benadrukt. In het NT komt het buiten Openbaring 10 maal voor en heeft dan vrijwel uitsluitend van doen met Gods heerlijkheid, of met de lof die Hem toekomt. In Openbaring (13 maal) heeft het voornamelijk te maken met Jezus die leeft en Koning is ‘tot in alle eeuwigheid’. Hij wordt ook hier dus, maar nu met extra nadruk, voorgesteld als de definitieve koning, die niet meer zal worden opgevolgd of vervangen door een ander, de definitieve demonstratie van Gods gezag en heerlijkheid. Twee keer wordt de uitdrukking echter gebruikt om het definitieve aan te duiden van de verwerping van de goddelozen, en één keer voor het definitieve van de beloning van de getrouwen. Ook hier staat dus voorop dat dit alles definitief is, voorgoed; het tijdsaspect speelt ook hier geen feitelijke rol.

 

Dit artikel (en de serie) is voor het eerst verschenen in ons blad Met open Bijbel.

Copyright © 2011 Broeders in Christus