Marcus 12:30 - God liefhebben met heel uw hart

Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. (Marcus 12:30).

In onze westerse wereld heeft ‘hart’ als beeld de functie van de zetel van ons gevoel, in tegenstelling tot verstand, voor onze rationele overleggingen. Wanneer we van iemand zeggen dat hij ‘het te hoog heeft zitten’ bedoelen we dat hij de dingen te verstandelijk benadert en te weinig met zijn gevoel. En zolang we allemaal maar begrijpen wat we met dat hart bedoelen (want biologisch gesproken zit daar natuurlijk helemaal niet ons gevoel) is er niets aan de hand. Maar het gevaar is, dat we er niet op verdacht zijn dat dat begrip ‘hart’ in een ander cultureel verband wel eens een andere gevoelswaarde zou kunnen hebben. En dat is in de Bijbel dan ook inderdaad het geval.

In bovenstaand citaat, uit Marcus 12:30, vat de Here Jezus de Wet samen, waarbij Hij in feite Deuteronomium 6:5 citeert. Eigenlijk noemt Mozes daar alleen hart, ziel en kracht. Ook in Lucas 10:27 vinden we echter vier aspecten: hart en ziel, kracht en verstand, daar genoemd door een schriftgeleerde. In Mattëus 22:37 noemt Jezus, net als Mozes, drie aspecten: hart, ziel en verstand; Hij vervangt Mozes' ‘kracht’ daar dus door ‘verstand’. Wanneer de schriftgeleerde in Marcus 12 Jezus’ woorden herhaalt, noemt hij er ook maar drie, maar dan hart, verstand en kracht. We moeten dus constateren dat kennelijk enerzijds hart en ziel als grotendeels gelijkwaardig worden gezien (een zogenaamd parallellisme) en anderzijds verstand en kracht. Dat helpt ons alvast wat op weg.

‘Verstand’ slaat vooral op iemands overleggingen. Hij bedenkt hoe hij een zaak gaat aanpakken, en hoe hij zijn mogelijkheden (krachten) zo goed mogelijk kan aanwenden om zijn doel te bereiken; In dit geval dus het dienen van God. Weliswaar staat er ‘liefhebben’ en niet ‘dienen’, maar in de Hebreeuwse denkwereld kun je iemand niet liefhebben zonder voor hem bezig te zijn (zie bijvoorbeeld Jakobus 2:15-17). Wellicht daarom worden verstand en kracht als grotendeels gelijkwaardig behandeld. Het woord ‘ziel’ duidt in een verband als dit vooral het wezen van de mens aan, dat wat hij werkelijk is. En dat is dan waar dat woord ‘hart’ parallel aan staat.

Het woord ‘hart’ duidt in de eerste plaats op iemands innerlijke leven, dat wat hij werkelijk is of najaagt, in tegenstelling tot hoe hij zich naar buiten toe voordoet, de uiterlijke schijn: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij” (Matteüs 15:8). Anderzijds kan een mens zijn ware aard vaak toch niet verbergen: “Nadat hij de mensen bij zich geroepen had, zei hij tegen hen: ‘Niet wat de mond ingaat maakt een mens onrein, maar wat de mond uitkomt, dat maakt een mens onrein ... Zien jullie dan niet in dat alles wat de mond ingaat in de maag terechtkomt en in de beerput weer verdwijnt? Wat daarentegen de mond uitgaat komt uit het hart, en die dingen maken een mens onrein. Want uit het hart komen boze gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. Dat maakt een mens onrein, niet het eten met ongewassen handen.” (Mattëus 15:10-11, 17-20). Ook bij Lucas lezen we daarover, wanneer Jezus zegt: “Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven. Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het hart vol van is daar loopt de mond van over” (Lucas 6:44-45). Het hart is een soort schatkamer, waar de mens zijn ware ‘schatten’ verbergt, dat wil zeggen datgene waar hij werkelijk waarde aan hecht.

In zijn prediking probeerde Jezus daarom tot dat hart door te dringen, en die werkelijke innerlijke gezindheid om te buigen tot een God-gezinde mentaliteit. Dat hart, niet het lichaam, moet rein zijn in Gods ogen, want: “Gelukkig wie zuiver [Grieks: ‘rein’] van hart zijn, want zij zullen God zien” (Matteüs 5:8). Maar van te velen bleek dat hart ‘verhard’, zodat het geen andere waarden meer toeliet, en zelfs zijn discipelen konden daar (in elk geval voor het moment) last van hebben: “want zij waren bij de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun hart was verhard” (Marcus 6:52). En daarom moeten we ook zorgen dat er niets die God-gezinde mentaliteit in de weg kan staan: “Pas op dat jullie hart niet afgestompt raakt door de roes en de dronkenschap en de zorgen van het dagelijks leven, zodat die dag [van Jezus’ terugkomst] jullie overvalt” (Lucas 21:34). Want wie God wil dienen, moet dat doen met zijn hele hart, of, zoals het elders heet: ‘van ganser harte’.

 

Dit artikel is voor het eerst verschenen in ons blad Met open Bijbel.  

Copyright © 2011 Broeders in Christus