Openbaring 13:16 - Een merkteken op hun rechterhand of op hun voorhoofd

Verder liet het [beest] bij alle mensen, jong en oud, rijk en arm, slaaf en vrije, een merkteken zetten op hun rechterhand of op hun voorhoofd. (Openbaring 13:16)

Over dit ‘teken’ bestaan allerlei opvattingen. Sommigen denken zelfs dat het gaat om het logo van de Europese Commissie, maar velen denken tegenwoordig dat we allemaal een onderhuidse chip zullen krijgen, en dat we alleen nog zullen kunnen kopen en verkopen wanneer we die hebben. Dit wordt versterkt door berichten dat momenteel geëxperimenteerd wordt met onderhuidse chips, al zijn voorhoofd en handen de minst logische plaats hiervoor. Maar wie ook maar een klein beetje vertrouwd is met de Bijbel zou moeten begrijpen dat dit beeldtaal is. Laten we daarom maar eens wat verder kijken naar het gebruikte woord.

Snijwerk

Dat woord is charagma, en het komt (vrijwel) alleen voor in Openbaring. Maar vanuit klassiek Grieks valt er toch veel over te zeggen. Het behoort tot een groep woorden die is afgeleid van een stam die iets van snijden betekent. Een charax is een puntig bijgesneden paal, die bijv. in de grond wordt gestoken om een wijnstok mee op te binden, maar ook om een palissade te maken. Vandaar betekent het ofwel een verdedigingswerk (‘bolwerk’) van een stad, of juist een belegeringswerk, en dan ook de belegering zelf van die stad. Maar in een andere richting vinden we het woord charagma gebruikt voor een snijwerktuig, en dan ook een stuk houtsnijwerk dat daarmee is gemaakt, en op die manier ook een gesneden afgodsbeeld. Vooral in klassiek Grieks wordt het zo gebruikt, maar we vinden het ook zo in Handelingen 17:29.

Een derde betekenis is die waarbij een gesneden vorm wordt gebruikt om iets te brandmerken. In klassiek Grieks werd het zo gebruikt voor een brandmerk op paarden, waarmee de eigenaar aangaf dat dit zijn paard was. Een paar duizend jaar later werd in Amerika zo vee gebrandmerkt. En, in de zuidelijke staten van de VS, ook negerslaven die op de plantages werkten.

Ook de Grieks-Romeinse wereld kende slaven: de huisslaven, en de dwangarbeiders op de plantages en in de mijnen. De eerste groep, de huisslaven, had vaak nog een redelijk goed leven. Zij waren huispersoneel, en hun diensten werden door hun meesters vaak hoog gewaardeerd. Niet zelden hadden zij een verantwoordelijke positie, en vaak genoten ze relatief veel vrijheid. Ze bezaten in latere tijd ook een relatief goede rechtspositie. Voor de slaven op de plantages en in de mijnen lag dat totaal anders. Zij waren volkomen rechteloos. Vaak werden zij gebrandmerkt om weglopen te voorkomen, terwijl bij een huisslaaf het eigendomsrecht, wanneer zijn meester dat al nodig vond, eerder zou worden aangegeven door het dragen van een ijzeren halsband met een ‘penning’ met het adres van zijn meester en de belofte van een beloning bij terugbrengen. Wanneer een huisslaaf zich, in de ogen van zijn meester, had misdragen, was verbanning naar een plantage een mogelijke straf, die hij evenzeer vreesde als onmiddellijke executie.

Het brandmerk en het zegel

Dat ‘teken’ van het beest is dus de symbolische aanduiding van een brandmerk, waarmee de macht, die door het beest wordt voorgesteld, haar onderdanen markeert als haar slaven, die haar absolute gehoorzaamheid verschuldigd zijn. Wie zo gemerkt is, is haar eigendom; die heeft geen recht meer op een eigen leven, en ‘weglopen’ wordt bestraft met de dood. Maar, anders dan bij de Romeinse slaven (en die op Amerikaanse plantages), gaat het hier om een vrijwillig aangegane dienstbaarheid. Je maakt jezelf tot de slaaf van deze wereld en van haar afgod: het materialisme. Of van een goddeloze overheid, om vervolging te ontlopen. Maar in feite steeds tot een vrijwillige slaaf van de zonde. Zonde is echter als een loverboy, wanneer die je eenmaal in zijn macht heeft, laat hij je niet meer los. En tegen die tijd is er niets vrijwilligs meer aan. Dan kun je niet meer kiezen, en de weg waar je je dan op bevindt kent maar één eindbestemming: de dood.

Maar er is nog een ander woord met deze woordstam. Dat is charaktèr, ons woord karakter. Ook dat beschrijft de afdruk van een gesneden vorm, maar dan niet als brandmerk, maar als een zegelafdruk, gedrukt in nog zachte was. We vinden dat in Hebreën 1:3, waar Jezus wordt aangeduid als “de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen”. Als ‘zegel’ vormt Hij de volmaakte afbeelding van God zelf. En wij moeten op onze beurt daar weer de afbeelding van worden. En dat is de betekenis van dat zegel dat in Openbaring wordt verleend aan hen die God dienen voordat de plagen over de wereld losbarsten (Openbaring 7:3 en 9:4).

Copyright © 2011 Broeders in Christus