De wijzen uit het oosten

Toen nu Jezus geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, er kwamen
wijzen uit het Oosten te Jeruzalem en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen. (Matteüs 2:1-2, NBG’51)

In het evangelie naar Matteüs lezen we over de wijzen uit het oosten, die naar Jeruzalem komen om de nieuwgeboren koning te aanbidden. Het grote publiek kent ze echter als ‘de drie koningen’, hoewel Matteüs in feite al evenmin een aantal noemt. Men neemt aan dat dit getal drie is afgeleid uit het feit dat ze drie soorten geschenken bij zich hebben (goud, wierook en mirre). En die transformatie van wijzen naar koningen berust op het feit dat de kerk hierin reeds vroeg een vervulling heeft menen te zien van Jesaja:

Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de HEER … Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel … Een vloed van kamelen zal je land overspoelen, jonge kamelen uit Midjan en Efa. Uit Seba komen ze in groten getale, beladen met wierook en goud. (Jesaja 60:1,3,6)

En van Psalm 72:

De koningen van Tarsis en de kustlanden, laten zij hem een geschenk brengen. De koningen van Seba en Saba, laten ook zij hem schatting afdragen. Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem, alle volken hem dienstbaar zijn. (Psalm 72:10-11)

De genoemde streken zouden dan staan voor Europa, Azië en Afrika (al kan je – vanuit Judea gezien – toch eigenlijk alleen maar Azië opvatten als ‘het oosten’) en de geschenken zouden daar dan karakteristiek voor zijn (goud uit Europa, wierook uit Azië en mirre uit Afrika).

De Rijmbijbel van de middeleeuwse dichter van Maerlant spreekt dan ook van (drie!) koningen. Maar al vanaf de eerste gedrukte Bijbels vinden we gewoon de echte Bijbeltekst met een niet nader genoemd aantal ‘wijzen’. Die heten in het oorspronkelijke Grieks van het NT magoi, en in het Latijn van de middeleeuwse Bijbel magi. Een moderne opvatting wil hierin dan ook de aanduiding zien van een stel priesters van het zoroastrisme (uit Perzië) die met deze benaming werden aangeduid. Maar we kunnen de achtergrond toch beter in de Bijbel zelf zoeken.

God tegen de Farao van Egypte

In het Oude Testament komen we enkele malen een confrontatie tegen tussen de verzamelde wijsheid van een wereldheerser en iemand die door God is aangesteld als Zijn vertegenwoordiger. De eerste keer vinden we dat in Gen. 41. De aartsvaders, die de kern zijn waaruit het volk Israël is ontstaan, hebben dan vooral te maken met de ‘wereldmacht’ Egypte. Farao, de koning van Egypte, heeft in de nacht een tweetal dromen gehad die hij niet begrijpt, maar die hem zeer verontrusten. De Egyptische wijzen beschouwden zichzelf als grote droomuitleggers, en ze worden onmiddellijk door Farao ontboden. We vinden ze aangeduid met chartom en chakam. Dat laatste woord duidt simpelweg op iets van wijsheid; de NBV vertaalt het met ‘wijzen’ en de NBG’51 als ‘geleerden’. Het eerste woord heeft veel meer de klank van paranormale begaafdheden en magie. Maar met deze dromen weten ze toch absoluut geen raad, en dat geeft God a.h.w. de gelegenheid om Zijn deskundige naar voren te schuiven: de jonge Jozef, uitgerust met Gods wijsheid. Waarmee het in één klap duidelijk wordt Wie de ware bron van wijsheid is.

Dit krijgt enkele generaties later nog een vervolg in Exodus 7 en 8, wanneer Mozes namens God moet optreden om Gods volk te bevrijden uit de macht van de Farao die er dan is. Ook dat resulteert in een confrontatie, maar nu een vijandige, met de Egyptische ‘chartom’, die de NBG’51 opnieuw vertaalt met ‘geleerden’, maar de NBV nu (meer correct) met ‘magiërs’. Dat andere woord, chakam (wijzen), vinden we hier niet, maar in plaats daarvan in Exodus 7:11 nog wel even het woord kashaph, wat iets als tovenaar betekent.

God tegen de koning van Babylon

Een andere serie confrontaties vindt (vanaf Mozes gerekend) ruim 800 jaar later plaats in Mesopotamië (het huidige Irak), waar de andere grootmacht van de oude wereld zetelde. Aanvankelijk was dat Assyrië geweest, maar nu was dat - bijna van de ene dag op de andere - het Nieuw-Babylonische rijk geworden, onder leiding van de machtige heerser Nebukadnezar. God zet nu de nog veel jongere Daniël in, want waar Jozef nog 30 jaar oud was geweest toen hij voor Farao stond, moet Daniël bij de eerste confrontatie nog maar een tiener zijn geweest. Ook Nebukadnezar had een droom waar zijn geleerden geen raad mee wisten. Het boek Daniël somt ze op als ‘de magiërs, bezweerders, tovenaars en Chaldeeën’ (2:2). Dat woord Chaldeeën duidt verderop de hele groep aan, dus dat zullen we wel moeten zien als een algemene aanduiding van dit soort ‘deskundigen’. De andere woorden duiden ze aan als (opnieuw) de chartom en als de ashaph en kashaph, waarvan die laatste twee woorden wel mede zullen zijn gekozen vanwege hun klankgelijkheid. Alsof het wil zeggen: de hele reutemeteut. Maar die kan, zoals gezegd, de koning toch geen spat wijzer maken, en Gods piepjonge vertegenwoordiger moet het raadsel oplossen.

Verderop volgen er dan nog drie andere confrontaties. Eerst de weigering van Daniëls drie vrienden om Nebukadnezars gouden beeld te aanbidden. En let ook hier op die veelzeggende opsommingen: ‘de satrapen, stadhouders, gouverneurs, staatsraden, schatbewaarders, rechters, magistraten en alle bestuurders van de provincies’ in 3:3 en vervolgens ‘de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten’ in 3:5,7,10 en 15; alles wordt zogezegd uit de kast gehaald. Vervolgens vinden we Nebukadnezars hoogmoed en vernedering in hoofdstuk 4. En tenslotte de hoogmoed van zijn nakomeling Belsassar in hoofdstuk 5 (met het schrift op de wand).

De lessen hiervan

Let echter op hoe Nebukadnezar geleidelijkaan tot erkenning komt van de macht van Daniëls God. Na de eerste confrontatie erkent hij dat God machtiger is dan zijn eigen goden:

Het is waar, uw God is de God der goden [d.w.z. de allerhoogste God, hoger dan alle andere] en de heer der koningen [d.w.z. machtiger dan menselijke koningen, inclusief hijzelf] (2:47).

Na de tweede confrontatie verbiedt hij zijn onderdanen ook maar iets negatiefs te zeggen over die God van Daniël en zijn vrienden (geen ‘vrijheid van meningsuiting’ hier!):

Daarom vaardig ik het bevel uit dat eenieder, van welk volk, welke natie of taal ook, die zich oneerbiedig uitlaat over de God van Sadrach, Mesach en Abednego, in stukken wordt gehakt en dat zijn huis in puin wordt gelegd, want er is geen god die kan redden als deze. (3:29)

Na de derde belijdt hij tenslotte zijn erkenning van Gods almacht:

Het heeft mij behaagd de tekenen die de hoogste God mij heeft gegeven …  bekend te maken. Hoe groots zijn zijn tekenen, hoe machtig zijn wonderen! Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en zijn heerschappij duurt van generatie tot generatie voort! (NBV 3:32-33)

Ik, Nebukadnessar, roem, verhef en verheerlijk nu de koning van de hemel. Al zijn daden zijn juist en zijn paden recht. Wie hoogmoedig zijn, kan hij vernederen. (4:34, nummering wijkt af van NBG’51 !).

En na de laatste verwijt Daniël aan Belsassar dat hij is ‘gewogen en te licht bevonden’, omdat hij dit toch niet ter harte heeft genomen:

Hoewel u dit alles wist, bent u, zijn nakomeling Belsassar, niet nederig gebleven. U bent tegen de heer van de hemel opgestaan. (5:22-23).

Wat hier speelt is het feit dat God met deze confrontaties, in de aanloop naar de Babylonische ballingschap van zijn volk nu, en de toekomstige verstrooiing door de Romeinen over de wereld later, al is begonnen de niet-Joodse wereld te tonen wie Hij is, en dat Hij degene is die bepaalt wie koning wordt en wie niet (4:32 en 5:21).

Nog wat taal

Nog even terug naar het woordgebruik. De Septuaginta, de Griekse vertaling van het OT, vertaalde die chartom in Genesis met exègètai, uitleggers, van exègèsis, uitleg (we kennen dat als exegese, Bijbeluitleg). Want in Genesis ging het om de uitleg van een droom. In Exodus vinden we het vertaald als epaoidos, bezweerder, afgeleid van aoidos, zanger (en een voorzetsel epi). Want daar ging het om de macht om een wonder te verrichten. Het woord dat onze Nederlandse vertalingen feitelijk vertalen met ‘bezweerder’ is echter dat al genoemde woord ashaph. In de Babylonische wereld was dat eigenlijk de aanduiding voor een astroloog, iemand die wereldgebeurtenissen kon ‘aflezen’ uit de sterren. De Septuaginta geeft dat weer als magos (meervoud magoi). En dat was weer het woord voor die wijzen uit het oosten, waar we mee begonnen.

De boodschap bij Matteüs

Wat vertelt ons dit? Dit vertelt ons dat de lessen die God de koningen van Babylon (maar daarmee ook die van alle andere wereldmachten) wilde leren, tenslotte toch zijn begrepen. En wanneer zes eeuwen later eindelijk Gods koning wordt geboren, nemen de late nakomelingen van die Mesopotamische astrologen een verschijnsel waar aan de nachthemel waarvan ze beseffen dat het (in de context hun belevingswereld) van belang moet zijn. Ze doen er dik een jaar over om uit te zoeken wat die betekenis dan moet zijn, en ze zullen terecht zijn gekomen bij de Arameese versie van het boek Daniël. En hoe onbijbels en afgodisch hun theorieën ook mogen zijn, God leidt ze daarmee naar de enig juiste conclusie. En zo verschijnen deze magoi in het Jeruzalem van Herodes, om hulde te brengen aan die nieuwe wereldkoning, die de ‘lichtgewicht’ Herodes zelf vervolgens prompt probeert uit te roeien. En dat is de werkelijke boodschap van Matteüs hoofdstuk 2.

 

Dit artikel is voor het eerst verschenen in ons blad Met open Bijbel.  

Copyright © 2011 Broeders in Christus