Strijd en wedstrijd

Strijd de goede strijd van het geloof win het eeuwige leven waartoe je geroepen bent. (1 Timoteüs 6:12)

De Schrift spreekt regelmatig over het leven van de gelovige als een ‘strijd’. Maar wat in de vertaling helaas verloren gaat, is dat het Grieks van het NT voor strijd vier verschillende uitdrukkingen kent, elk met hun eigen betekenis. Laten we die eens één voor één bekijken.

Oorlog

Allereerst zijn er polemos (oorlog) en polemeo (oorlog voeren). Oorlog is strijd op alle fronten. We komen dat af en toe tegen in de basisbetekenis, maar van geestelijke strijd vinden we het eigenlijk alleen in Openbaring. Openbaring beschrijft de oorlog tussen goed en kwaad, tussen God (of Jezus) en de mens die tegen Hem opstaat. Dat is de belangrijkste oorlog uit de geschiedenis. In de eindtijd zal de wereld zich verzamelen en op de ‘grote dag van God’ oorlog voeren tegen Jezus in de strijd bij Harmagedon, maar Jezus zal de overwinnaar zijn. Vóór die tijd zal God de afvallige gelovigen echter, net als in het OT, ‘tuchtigen’ met menselijke legers die oorlog tegen hen voeren, om te zien of zij zich niet willen bekeren. Maar ook de individuele gelovige wordt door Jezus zo behandeld: wanneer hij zich niet bekeert zal Jezus oorlog tegen hem voeren. In zijn brief aan de gemeente te Efeze schrijft Hij over wie vasthouden aan valse leer: “Breek toch met het leven dat u nu leidt, anders kom ik binnenkort naar u toe en zal ik hen met het zwaard uit mijn mond bestrijden (NBG’51: oorlog voeren)” (Openbaring. 2:16).

Veldtocht

Die oorlog wordt gevoerd door onze Heer, dat kan alleen Hij. Maar de gelovigen moeten daarin wel hun deel doen: a.h.w. veldslagen winnen. Het woord is hier strateia (veldtocht) of strateuo (soldaat zijn, in krijgsdienst zijn); vergelijk ons woord strategie. We vinden dat wanneer er soldaten (NBG’51: zij die in krijgsdienst waren) aan Johannes de Doper komen vragen wat zij moeten doen (Lukas 3:14). Maar van de geestelijke strijd vinden we deze woorden uitsluitend bij Paulus, en een keer bij Petrus. Zo moest Timoteüs leiding geven aan anderen. Hij was de veldheer die anderen in de strijd moest voorgaan. Paulus vermaant hem trouw te blijven aan zijn opdracht: “Laten (Gods woorden) je tot steun zijn in de goede strijd die je, toegerust met geloof en een goed geweten, moet voeren (NBG’51: die je moet ‘strijden’)” (1 Timoteüs 1:18-19). Wie is geroepen om leiding te geven aan anderen, moet zelf een voorbeeld geven. Want in die dagen ging een veldheer voorop in de strijd; hij was inderdaad een aanvoerder. In de toepassing betekent dat, dat zij moeten tonen wat een juiste (‘goede’) strijd is, die zich blijkbaar kenmerkt door geloof en een goed (zuiver) geweten. Dat woord ‘goed’ voor de goede strijd is kalos, dat betekent: juist, van waarde, geschikt om het doel te bereiken. Dat ‘goed’ van dat goede geweten is agathos, dat betekent: oprecht, eerbaar. Hij moet de strijd dus zo voeren dat het doel wordt bereikt, en hij moet dat doen zonder onzuivere bijbedoelingen.

Maar ook de soldaten van de veldheer moeten steeds het juiste doel voor ogen hebben, zich voortdurend afvragen hoe die strijd het best gestreden en gewonnen kan worden. Dan vraag je niet wat moet ik doen, maar wat kan ik doen, niet: is dat nodig? maar: is dat nuttig? Wie het in de gemeente niet meer zo nauw nam, waarschuwde Paulus daarom:

We leven wel in deze wereld, maar vechten niet met de wapens van deze wereld. De wapens waarmee wij ten strijde trekken dienen niet ons eigen belang, maar zijn er … voor God. We halen spitsvondigheden neer en iedere verschansing die wordt opgetrokken tegen de kennis van God, we maken iedere gedachte krijgsgevangene om haar aan Christus te onderwerpen (2 Korintiërs 10:3-5).

Of, anders gezegd: uiteindelijk gaat het er niet om hoe je spreekt, maar hoe je leeft. Want een verkeerde wijze van leven zal zich uiteindelijk tegen je keren. Zoals ook Petrus schrijft (1 Petrus 2:11-12).

Het tweegevecht

Dan komen we aan de persoonlijke strijd; het man-tegen-man gevecht. De woorden zijn machè (tweegevecht, krachtmeting) en machomai (strijden, maar ook twisten). In het NT gaat dit niet over de goede strijd, gericht op het bereiken van het juiste doel, maar juist om de verkeerde strijd, die strijd met onzuivere bijbedoelingen. Zo vinden we het vrijwel uitsluitend in de brieven van Paulus aan Timoteüs en Titus. Omdat juist zij zelf het goede voorbeeld moeten geven, maar daarvoor ook duidelijk moeten inzien wat verkeerd is en wat zij dus moeten vermijden:

Verwerp dwaze en onzinnige speculaties; je weet dat ze tot ruzie (machè) leiden. Een dienaar van de Heer moet geen ruzie maken (machomai), … hij moet een goede leraar zijn en een verdraagzaam mens, en zijn tegenstanders zachtmoedig terechtwijzen (2 Timoteüs 2:23-25).

Houd je verre van dwaze speculaties en geslachtsregisters en dat geruzie (een ander woord: eris) en geredetwist (machè) over de wet, want dat is allemaal nutteloos en dwaas (Titus 3:9).

Zulke discussies zijn tweegevechten die alleen maar dienen om je eigen gelijk te halen, om te laten zien hoe knap je zelf wel bent. Ze komen voort uit ijdelheid, niet uit dienstbaarheid.

Jakobus trekt zelfs alle registers open, wanneer hij zijn lezers berispt om de meer dan schandalige, wereldse wijze waarop ze met elkaar omgaan, waarbij hij meerdere termen tegelijk gebruikt (hier wat vrijer vertaald, om dat beter weer te kunnen geven):
Waar komt al die oorlogszuchtigheid (polemos), waar komen al die nutteloze tweegevechten (machè) bij u toch uit voort?  … U bent jaloers en moordlustig, maar bereikt uw doel niet. U wilt voortdurend iemand te lijf (machomai), ja voert compleet oorlog (polemeo) … Trouwelozen! Beseft u dan niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent? (Jakobus 4:1-4)

De wedstrijd

Dan komen we tenslotte bij die strijd die niet met wapens wordt uitgevochten: de wed-strijd, de strijd van de atleet. Dat gaat ook om een overwinning, maar van een totaal andere aard dan op het slagveld. Dit heeft alles te maken met je best doen, je ‘uiterste best’ doen. Want alleen de allerbesten winnen die strijd. Vooral Paulus heeft juist daar veel over te vertellen. De woorden zijn agon (strijd) en agonizomai (strijden). De basis vinden we in Paulus’ brief aan Korinte: “Iedereen die aan een wedstrijd deelneemt beheerst zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke” (1 Korintiërs 9:25). En hij vertelt ook wat de consequenties zijn: “Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen? Ren als de atleet die wint!” (vs 24). Uiteraard mag je daar niet uit afleiden dat er maar één tot het Koninkrijk zal worden toegelaten, maar wel dat je er niet komt met gewoon maar goed zijn. In de sport krijg je die winnaars-krans alleen wanneer je beter bent dan alle anderen. Je moet niet zomaar goed zijn, maar vreselijk goed. Dat is de bedoeling van Paulus’ beeld. Hij heeft het hier niet over winnen van een tegenstander, maar over de regel dat alleen het allerbeste goed genoeg is. Dat overwinnen van een tegenstander was nu juist dat werkwoord machomai, en dat gebruikt hij hier niet.

De ‘goede’ strijd

Dat beeld van een atleet vinden we ook in de brief aan de Hebreeën:

Nu wij door zo’n menigte (voorgangers) omringd zijn, moeten ook wij … vastberaden de wedstrijd lopen ... (en) alleen oog hebben voor Jezus, onze ‘voorganger’, die dit zelf volbracht heeft (Hebreeën 12:1-2).

Hij beschrijft Jezus hier als de oud-kampioen, die nu hun ‘trainer’ is, en zegt dan: “Laat tot u doordringen hoe Hij standhield ... opdat u niet de moed verliest en het opgeeft” (vs 3). Alleen zó kun je die overwinning behalen, die (als in elke wedstrijd) vóór alles een overwinning is op jezelf. In diezelfde geest kan Paulus aan het eind van zijn leven schrijven:

Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht ... Nu wacht mij de winnaarskrans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige scheidsrechter, mij zal geven op de grote dag (2 Timoteüs 4:7-8).

Ook dit beschrijft de strijd van de atleet, niet die van de soldaat. Zijn beloning is de krans van de winnaar in de renbaan, niet de kroon van de overwinnaar op het slagveld. In Jezus’ woorden: “Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de winnaarskrans van het leven” (Openbaring 2:10).

Ons voorbeeld

We zagen hoe Paulus Timoteüs aanspoorde de ‘goede strijd’ te strijden door een voorbeeld te zijn voor anderen, als een veldheer die zijn soldaten voorgaat in de strijd. Maar de woorden boven dit artikel gaan over Timoteüs’ eigen strijd. En dat is die strijd van de atleet, de strijd van iemand voor wie alleen ‘je uiterste best doen’ goed genoeg is. Paulus zelf streed zo. Aan de gemeente te Filippi scheef hij daarover:

Leef zo dat … u samen voor het geloof in het evangelie strijdt (athleo!) ... U voert dezelfde strijd (agon) die u mij vroeger hebt zien voeren en die ik, zoals u hoort, nog steeds voer (Filippenzen 1:27-30).

Dat beeld van die atleet vertelt ze niet dat ze minder hun best hoeven te doen dan wanneer hij het beeld van de soldaat had gebruikt, maar juist meer. Veel meer zelfs. Want Lukas gebruikt dat woord agonizomai om Jezus’ strijd in Getsemane te beschrijven. Die strijd van bloed, zweet en tranen was Zijn overwinning. Dat was de zwaarste strijd die ooit gestreden is, en dan past het de gelovige niet om het voor minder te willen doen. En daarop doelt Judas, wanneer hij zijn brief begint met:

Geliefden, daar ik mij in alle opzichten beijver u te schrijven over ons gemeenschappelijk heil, zie ik mij genoodzaakt het te doen met de vermaning tot het uiterste te strijden (ep-agonizomai ) voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is (Judas 3, NBG’51).

Ook wij weten dus wat ons te doen staat.

 

Dit artikel is voor het eerst verschenen in ons blad Met open Bijbel.  

Copyright © 2011 Broeders in Christus