Punt—streep

Nee, deze studie gaat niet over het Morse-alfabet, het gaat over taal. Het NT is geschreven in het Grieks, en dat verschilt taalkundig nogal van talen als ons Nederlands. Vertalers proberen dat uiteraard op te vangen in hun vertaling, maar toch wil dat niet altijd goed lukken. Wat velen niet zullen weten is bijv. dat het Grieks twee verschillende vormen kent voor het werkwoord. De ‘normale’ vorm geeft een voortdurende handeling aan en de ‘alternatieve’ (de zgn. aoristus) een eenmalige handeling (eventueel een herhaalde handeling). Je kunt het eerste illustreren met een doorgetrokken streep en het tweede met een punt (of een stippellijn). De verleden tijd van ‘vluchten’ moet je dan vertalen met: hij was op de vlucht, maar in de aoristus met: hij ontsnapte.

Bidden, zoeken, kloppen

Zo leert Jezus in de bergrede: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en u zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden (Matteüs 7:7). Omdat hier niet de aoristus wordt gebruikt, moeten we bidden, zoeken en kloppen hier opvatten als een continue actie, niet als een eenmalige handeling. Jezus vertelt hier niet dat een eenmalig gebed voldoende is om te krijgen wat je wil hebben, maar dat wie verhoord wil worden, voortdurend tot God moet smeken. Niet dat God anders niet zou luisteren, of niet de moeite zou willen nemen op zo’n verzoek in te gaan. Maar door voortdurend op de zaak terug te komen, toon je dat het je inderdaad ter harte gaat, en je leert je ook af te vragen of je zelf de zaak echt wel zo belangrijk vindt. Dat is ook de betekenis van zijn gelijkenis over de ‘onrechtvaardige rechter’ (Lucas 18:1-8). Ook daar gaat het om blijven volharden en dag en nacht tot God roepen (zie het artikel op blz 24-25 voor dat ‘dag en nacht’). Evenzo is zoeken niet even rondkijken en dan teleurgesteld constateren: sorry hoor, maar ik zie het niet. Het betekent dat je net zolang blijft zoeken, tot je het gevonden hebt. Zoals de herder in de gelijkenis van het verloren schaap (Lucas 15). En dat kloppen is ook niet maar een bescheiden klopje op de deur, maar er net zolang op blijven bonzen tot er eindelijk iemand open doet. Zoals Petrus toen hij voor de deur stond en de slavin Rhode vergat hem binnen te laten (Handelingen 12:16), al gebruikt het Grieks hier juist een apart werkwoord om dat bezig blijven uit te drukken (maar daarvan dan weer wel die ‘continue’ vorm). Want wat op de ene plaats wordt aangeduid met die werkwoordsvorm wordt op de andere (zoals hier) soms aangeduid door een extra woord te gebruiken.

Blijven zondigen

Een plaats in de Bijbel waar die doorgaande actie moet worden afgeleid uit de gebruikte werkwoordsvorm, en waar de vertalers dat daarom toch hebben aangegeven m.b.v. dat woord (bezig) ‘blijven’, vinden we in Paulus’ brief aan de Romeinen. Daar lezen we:

Betekent dit nu dat we moeten blijven zondigen om de genade te laten toenemen? (Romeinen 6:1)

En aan het begin van de volgende alinea, schijnbaar opnieuw: Betekent dit nu dat we vrijuit mogen zondigen omdat we niet onder de wet staan, maar onder de genade leven? (vs 15). Oppervlakkig lijkt het alsof Paulus de vraag, in iets andere woorden, gewoon herhaalt, maar dat is niet zo. De eerste keer gebruikt hij de continue vorm en de tweede keer een aoristus. In vs 1 heeft hij het over doorgaan met het leiden van een zondig leven (die doorgetrokken lijn), en in vs 15 over van tijd tot tijd ongehoorzaam zijn (die stippellijn). En het is van belang dat te weten, wanneer je zijn argument wil begrijpen.

Gewoon doorgaan, of af en toe even doen als voeger

Paulus betoogt dat de Wet niet kan redden, en daar ook nooit voor bedoeld was. De Wet liet de Israëlieten zien dat ze tekortschoten. Redding is er alleen door het verlossingswerk van Christus. Maar de apostel is kennelijk voor de voeten geworpen dat zo’n standpunt er op neer komt dat het dan helemaal niet meer uit zou maken hoe we leven; wanneer we eenmaal verlost zijn, zouden we die hele Wet dan aan onze laars kunnen lappen, en alles doen wat God verboden heeft. Dat is uiteraard een drogreden, maar wel een verleidelijke, omdat de aard van de denkfout niet onmiddellijk duidelijk is. Paulus geeft het antwoord in twee ‘etappen’, en juist daarin dienen we dat onderscheid tussen de beide werkwoordsvormen goed voor ogen te hebben. Dat laatste proberen we hier nu duidelijk te maken door de vertaling wat vrijer, maar daarmee ook wat explicieter te maken.

Het argument van zijn tegenstanders was in feite dat je dan, door te zondigen, God de kans zou geven des te meer genade te tonen. Dat formuleert hij als volgt:

Betekent dit nu dat we moeten doorgaan met zondigen om de genade te laten toenemen? Dat in geen geval. Hoe zouden wij, die dood zijn voor de zonde, nog in zonde kunnen leven? (vs 1-2).

Hij legt dan uit dat de doop een symbolisch sterven met Christus is, waar je als een volkomen nieuwe mens weer uit op dient te staan. Wie dan maar doorgaat met zijn oude leven, is geen nieuwe mens, en dus niet ‘in Christus’. En die oude mens was, en is, niet verlost.

Maar vervolgens gaat hij in op een minder ver strekkende suggestie: OK, we kunnen niet doorgaan met ons oude leven, zelfs niet met als argument dat we daarmee God de gelegenheid zouden geven meer genade te betonen. Maar we zouden toch in elk geval niet zo verschrikkelijk ons best hoeven te doen, want onze fouten worden ons toch wel vergeven omdat we nu recht hebben op Gods genade:

Betekent dit nu dat we (zonder bezwaar) kunnen zondigen omdat we (toch) niet onder de wet staan, maar onder de genade leven? Absoluut niet (vs 15).

Dat, eveneens valse, argument bestrijdt hij door erop te wijzen dat wij zijn als slaven die uit het eigendom van de ene meester (de zonde) zijn losgekocht, en zijn overgegaan in eigendom van een andere meester (gehoorzaamheid) . En een slaaf is nu eenmaal verplicht zijn huidige heer met alle loyaliteit te dienen. Hij kan zich niet permitteren af en toe nog wat bij te klussen voor zijn vroegere meester: het is alles of niets! In hoofdstuk 8 zal hij dan uitleggen waar het wel op aankomt: op onze mentaliteit, die hij aanduidt als ‘de geest’ of ‘de gezindheid’ van Christus.

Bewust zondigen of falen

We moeten ons er echter goed van bewust zijn dat het hier gaat om het willens en wetens zondigen. Paulus zegt niet dat Gods genade begrensd is, maar dat wij van onze kant wel de plicht hebben ons best te doen. Wij kunnen niet maar onze gang gaan en vervolgens een beroep doen op Gods genade. Dat was nu juist het argument van zijn tegenstanders, althans in die zin dat zij hem die opvatting in de schoenen schoven, om er dan vervolgens op te wijzen dat een dergelijke opvatting te zot voor woorden is, en dat die Paulus dus onzin verkondigde. Wat Paulus in werkelijkheid bestreed, was de opvatting dat je alleen behouden kon worden door het stipt in acht nemen van de Wet, dus precies het tegenovergestelde. Maar zijn tegenstanders proberen zijn leer tot in het belachelijke door te trekken, om die dan als absurd ter zijde te kunnen schuiven. Paulus probeert hier niet de omvang van Gods genade in te perken, maar bestrijdt het valse argument dat je er dan zonder bezwaar op los zou kunnen leven.

Zoeken en vinden

Tot slot gaan we nog weer terug naar de bergrede. Na zijn uitspraak over bidden, vinden en kloppen vermaant Jezus zijn gehoor:

Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden (Matteüs 7:13-14, NBG’51)

Wanneer we, met bovenstaande taalles in ons achterhoofd, eens naar de werkwoordsvormen kijken, constateren we het volgende:

  • ‘Gaat in’ is een aoristus, en dus eenmalig. Het beschrijft het einde van hun levensweg, wanneer zij ingaan in hun uiteindelijke bestemming. En de gebiedende wijs is hier een dringende raadgeving: zorg ervoor dat het ook de juiste bestemming is.
  • ‘Velen zijn er die daardoor ingaan’: dit ingaan is een continu proces, maar dat beschrijft niet de individu (die maar op één moment ingaat), het beschrijft de voortdurende stroom die bezig is naar binnen te gaan. En de nadruk ligt op dat ‘velen’, want letterlijk staat er: ‘de daardoor ingaanden zijn velen’. Of in hedendaags Nederlands: ze gaan daar ‘in drommen’ naar binnen.
  • ‘Weinigen zijn er die hem vinden’: vinden is hier eveneens een continu proces. Het beschrijft niet het uiteindelijke ontdekken ervan, maar de speurtocht die daartoe leidt. Maar ook hier ligt de nadruk op het aantal: ‘de vindenden zijn weinig’. Of misschien dus beter: ‘de zoekenden zijn weinig’.

Even terug naar de eraan voorafgaande passage: Jezus had daar gezegd ‘zoekt en u zult vinden’. Wat Hij hier, een handvol verzen verderop, doet is nog even wat verder ingaan op dat zoeken: wees daar continu, je hele leven, mee bezig, dan zul je aan het eind daarvan voor de goede poort staan. En maak niet de fout achter de grote massa aan te lopen, want die gaan met zijn allen juist door de verkeerde poort naar binnen. De groep die bereid is serieus op zoek te gaan, zal maar uit weinigen bestaan, dus wees je daar van bewust. Het argument ‘zoveel miljoenen die zich gelovigen noemen kunnen het toch niet allemaal mis hebben’ is letterlijk levensgevaarlijk: het kan niet alleen, het zal zelfs met zekerheid zo zijn, want Jezus vertelt ons dat hier. Wij moeten voortdurend blijven zoeken. Maar dan zullen we ook vinden. Want ook dat heeft Hij ons met nadruk verzekerd!

Copyright © 2011 Broeders in Christus