Van Galilea naar Jeruzalem (3)

Lezen: Marcus 11

Jezus’ intocht in Jeruzalem

Het was de zondag voor het Paasfeest toen Jezus en de twaalf discipelen, samen met vele mensen uit Galilea, omhoogliepen over de lange, steile weg van Jericho naar Jeruzalem. De dag daarvoor hadden ze, volgens het sabbatsvoorschrift, in Jericho gerust. Toen ze bijna boven waren, en het dorpje Betfage zichtbaar werd, gaf de Here Jezus twee discipelen de opdracht: “Ga naar het dorp hier vóór je. Meteen als je er binnenkomt vind je er een jonge ezel vastgebonden staan. Er heeft nog geen mens op gezeten. Maak hem los en breng hem hier. Mocht iemand je wat vragen, zeg dan: ‘De Heer heeft het nodig, hij zal het meteen weer terugsturen’.” Let op dat zij moesten zeggen: `De Here heeft het nodig'. Israëls Koning had hem nodig om zijn stad, Jeruzalem, binnen te rijden. Jezus wist dat de eigenaar een ware discipel was, die geloofde dat Hij de Messias was en zou doen wat Hij hem vroeg. Toen de twee een ezelin en haar veulen zagen staan, en deden zoals Jezus had gezegd, mochten zij beide dieren meenemen. Zulke ezels waren iets groter dan de ezels die wij kennen, ongeveer zo groot als een pony, en werden vaak gebruikt om op te rijden. Discipelen legden hun kleren als een zadel op het veulen, en anderen legden hun kleren op de weg waarover Hij zou rijden, als teken van zijn majesteit en hun onderdanigheid aan hun Koning. Anderen sloegen takken van bomen en legden die op de weg om zijn intocht in Jeruzalem met blijdschap te vieren: “Velen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen spreidden takken met bladeren uit, die ze in het veld afhakten.” Zij riepen de iedereen bekende woorden van een psalm, die bij het feest werd gezongen: “Allen die voor hem uit liepen of achter hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David.” Geen van hen begreep toen de betekenis van wat zij deden. Voor Jezus was dit een opzettelijke vervulling van de woorden van de profeet Zacharia: “Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin. Hij zal vrede stichten tussen de volken. Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee, van de Rivier tot de einden der aarde.” Hij was geen wereldse koning, met veel pracht en praal rijdend op een paard, maar Gods Koning die redding en vrede voor de wereld bracht. Toen de juichende stoet Jeruzalem binnenkwam, raakte de hele stad in opschudding en de inwoners vroegen: “Wie is dit ?” Na het antwoord: “Dat is, de profeet, Jezus, van Nazaret in Galilea”, zullen de meesten hebben gedacht: “Daar heb je ze weer, die Galileeërs!” Hoe konden zij in deze rabbi, rijdende op een ezel, de grote Messias-Koning zien? Het was al laat op de dag. De Here ging even naar de tempel en toen met de twaalf een deel van de weg, waarlangs zij gekomen waren, terug naar het huis van vrienden in Betanië.

De verdorde vijgeboom

De volgende vier dagen zou Hij voor de laatste keer tot de Joden in de tempel prediken. Toen Hij op maandag heel vroeg in de ochtend naar Jeruzalem terugkeerde, zag hij een vijgenboom langs de weg staan. Het was nog niet de tijd voor de vijgenoogst, maar Hij had honger en misschien zou Hij een paar kleine, zogenaamde vroege vijgen tussen de bladeren vinden. Maar Hij vond geen vruchten en zei tegen de boom: “Nooit ofte nimmer zal er nog iemand vruchten van jou eten!” Toen Hij de volgende ochtend weer op weg was naar Jeruzalem, merkten de discipelen dat de boom verdord was. Het komt ons vreemd voor dat de Here, die altijd wonderen van genezing deed, zó zou spreken tegen een boom omdat Hij er geen vrucht aan vond! Maar dit was bedoeld voor de discipelen, als beeld voor wat er met Jeruzalem en het Joodse volk zou gebeuren, omdat zij God niet wilden gehoorzamen en zijn Zoon zouden verwerpen. Toen Hij de tempel binnenging zag Hij op het grote, prachtige tempelplein - waar Hij onder de zuilengangen leerde - hoe mensen daar offerdieren en vogels verkochten en ‘heidens’ geld, met de beeltenis van de keizer, wisselden voor munten die geschikt waren als tempelbelasting. Alles tegen zeer hoge prijzen natuurlijk, wat de overpriesters grote winst opleverde. Hij joeg ze allemaal - met hun schapen, runderen en duiven - de tempel uit, en gooide de tafels van de geldwisselaars omver. Niemand durfde in te grijpen, zo groot was zijn gezag. Het gewone volk zal het innerlijk hebben toegejuicht. Het misbruik van Gods tempel was schandalig. De Here Jezus zei: “Staat er niet geschreven: ‘Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn’? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!” Als mensen uit andere volken de tempel van de Here, de God van Israël, wilden zien, mochten zij niet verder komen dan de voorhof, dat dus een soort marktplein was geworden en bovendien door dragers van handelswaren werd gebruikt als de kortste weg van het ene stadsdeel naar het andere. De overpriesters en schriftgeleerden durfden toen niets tegen Jezus te doen, maar bespraken wel onder elkaar hoe zij Hem uit de weg konden ruimen. Jezus ging verder met zijn onderwijs in de tempel. Hij genas blinden en lammen, die naar Hem toekwamen om genezen te worden, terwijl kinderen de dag van de intocht naspeelden en af en toe riepen: “Hosanna voor de Zoon van David.” Alleen Hij wist hoe dit zou aflopen, ook al had Hij zijn discipelen zo duidelijk voorzegd dat Hij moest sterven en opgewekt worden, voordat Hij zou komen in heerlijkheid om Rechter en Koning te zijn.

 

Lezen: Marcus 12:13-37

Vragen in de tempel

De geestelijke leiders van het volk ergerden zich aan zijn kritiek op hen en zijn invloed op het volk. Ze bespraken met elkaar hoe zij Jezus uit de weg konden ruimen. Maar dat leek een onmogelijke zaak, omdat duizenden Joden geloofden dat Hij een groot profeet was, of zelfs de Messias van Israël. Daarom probeerden zij Hem met listige vragen in moeilijkheden te brengen.

Belasting betalen aan de keizer

Een aantal leerlingen van de Farizeeën ging tussen Jezus’ luisteraars staan en stelden een vraag. “Meester, wij weten dat u oprecht bent en dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen. U kijkt niemand naar de ogen, maar geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God. Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten wij betalen of niet?” Met deze vleitaal wilden zij Jezus verleiden een antwoord te geven waardoor Hij in moeilijkheden zou komen. Want als Hij zou antwoorden: “Nee, niet betalen”, zouden zij Hem bij de Romeinse overheid kunnen aanbrengen als iemand die verzet predikte. En als Hij zou antwoorden: “Ja, betalen”, zouden zijn aanhangers bij Hem weggaan, omdat Hij zich aan de Romeinse overheersers onderwierp in plaats van Israël van hen te bevrijden. Jezus doorzag de valstrik direct: “Waarom stelt u me op de proef? Laat mij eens een geldstuk zien.” Zij gaven Hem een zilverstuk. Hij bekeek het en vroeg: “Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?” “Van de keizer”, zeiden ze. “Geef wat van de keizer is aan de keizer”, reageerde Jezus. Want door die munt te gebruiken gaven ze aan dat zij zijn bewind hadden aanvaard, en dus de belasting moesten betalen die hij oplegde. Maar Jezus voegde daar aan toe: “en geef aan God wat God toebehoort.” God was hun ware Koning, en Hem moesten zij altijd eren en gehoorzamen, zelfs als de keizer hen zou gebieden iets te doen wat in strijd is met Gods wet. Christenen behoren ook belasting te betalen en de wetten van de overheid te gehoorzamen, zolang deze niet in strijd zijn met de geboden van Christus. Hij is hun ware Koning. Toen die Farizeeën zijn antwoord hoorden, waren zij verwonderd en gingen weg zonder iets bereikt te hebben.

De opstanding

Daarna kwamen de Sadduceeën met een vraag. Zij behoorden tot de partij van de overpriesters en andere rijke mensen in Jeruzalem. Zij geloofden alleen de boeken van de wet, de eerste vijf boeken in de Bijbel, en meenden dat daarin geen bewijs was voor een opstanding en een leven in de toekomst. Nu was er in de wet een voorschrift dat als een man zou sterven zonder kinderen, zijn broer moest trouwen met diens weduwe om kinderen te verkrijgen, zodat zijn naam zou voortleven. Die Sadduceeën wilden het geloof in de opstanding belachelijk maken met een verhaal over zeven broers. Toen de eerste zonder kinderen stierf, trouwde zijn broer met diens weduwe; toen ook hij stierf trouwde de derde met haar; en zo voort, totdat alle zeven haar tot vrouw hadden gehad. Nu was hun vraag: “Wie van de zeven zal haar als vrouw hebben na de opstanding?” Let nu op Jezus' antwoord. Hij begon met hen te berispen:

“Dwaalt u niet? U kent blijkbaar de Schriften niet en evenmin de macht van God.” Het stond duidelijk in hun Bijbel, het Oude Testament, dat er een opstanding uit de doden zal zijn. Dit was voor Jezus Gods Woord, dat niet gebroken kan worden. Niets is onmogelijk voor God. Hij, die de mens het leven geeft, is almachtig en kan gelovigen het leven teruggeven. Hun argument liet zien dat zij niets begrepen van de hoop op leven in Gods Koninkrijk, want de gelovigen die Christus uit de dood zal opwekken en eeuwig leven geven, zullen net als de engelen zijn en niet meer trouwen. De Here Jezus gaf hun het bewijs van de opstanding juist uit de boeken van de wet. Toen Mozes schapen hoedde in de woestijn, sprak God met hem vanuit een brandende braamstruik en vertelde dat hij zijn volk ging bevrijden uit Egypte: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob”. Abraham, Isaäk en Jakob waren al honderden jaren dood, en toch zei God; “Ik ben de God van Abraham” - niet ?Ik was hun God’. “Hij is geen God van doden maar van levenden”, zei Jezus, en daarom is hun dood slechts een slaap waaruit God hen weer zal opwekken.

Het belangrijkste gebod

De Farizeeën waren erg onder de indruk van dat antwoord. Eén van hen stelde een eerlijke, belangrijke vraag, om Jezus op de proef te stellen: “Meester, wat is het grootste gebod in de wet?” Zonder aarzeling citeerde Jezus het gebod in het boek Deuteronomium: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand.” En Hij ging verder: “Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.” Dit antwoord trof de schriftgeleerde en hij zei: “Inderdaad, meester, wat u zegt is waar.” Niemand durfde Hem meer iets te vragen. Maar nu had de Here een vraag aan zijn critici.

Davids Zoon en Heer

“Wat denkt u over de Messias? Van wie is hij een zoon?” “Van David” antwoordden zij. “Hoe kan David hem dan, geïnspireerd door de Geest, Heer noemen?” vroeg Jezus toen, want David zei: “De Heer sprak tot mijn Heer: Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd. Als David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?” Niemand kon daarop een antwoord geven. Zelfs Jezus' discipelen begrepen het pas na zijn opstanding en hemelvaart. Jezus was inderdaad een zoon van David, door zijn moeder Maria, maar Hij was ook de eniggeboren Zoon van God. De engel zei tegen Maria: “Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.” Hij was Davids Zoon, maar ook Davids Heer. Jezus deinsde niet terug voor wat Hem te wachten stond, en deed de wil van zijn Vader. Want Hij wist welke heerlijke vreugde zijn Vader Hem in die woorden van koning David beloofd had: “Neem plaats aan mijn rechterhand, ik maak van je vijanden een bank voor je voeten. Uit Sion (Jeruzalem) reikt de Heer u de scepter van de macht, u zult heersen over uw vijanden.”

Copyright © 2011 Broeders in Christus