De genade en barmhartigheid van God (2)

Door gebeden te verhoren en zelfs meer dan dat: door ongevraagd zijn goedertierenheid te gedenken, is God de Ontfermer over zijn volk. Voortdurend zoekt Hij hen om hen te verlossen en te zegenen:

Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de HERE. (Jesaja 54:10)

Ook wat de toekomst van zijn verstrooide volk betreft, heeft Hij beloofd hun Ontfermer te zijn:

Daarom verlangt de HERE ernaar u genadig te zijn, en daarom zal Hij Zich verheffen en Zich over u ontfermen, want de HERE is een God van recht; welzalig allen die op Hem wachten. (Jesaja 30:18)

Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de HERE. (Jesaja 54:7,8)
Want de HERE zal Zich over Jakob ontfermen en nog zal Hij Israël verkiezen en ze op hun eigen bodem doen wonen. (Jesaja 14:1)
Aan de wegen zullen zij weiden … zij zullen hongeren noch dorsten … want hun Ontfermer zal hen leiden en hen voeren aan waterbronnen … want de HERE heeft zijn volk getroost en Zich over zijn ellendigen ontfermd. (Jesaja 49:8-13).

Het bewijs, de garantie, dat God dit doet, is de verschijning van zijn Zoon Christus Jezus. Hij is gekomen om door zijn bloed zondaars te reinigen, zodat God in hun midden zal kunnen zijn. De wonderen van de Here Jezus zijn een beeld van Gods verlossingswerk. Zo vinden we al in het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Marcus, dat Hij uit zijn innerlijke barmhartigheid een melaatse, een onreine die buiten de gemeenschap moest leven, op zijn smeekbede geneest, zodat deze weer rein wordt. Let op: de man gelooft dat Jezus het kan, maar gaat niet uit van zijn eigen wil, maar van Jezus’ wil:

Een melaatse kwam tot Hem, die voor Hem op de knieën viel, en smekende tot Hem zei: Indien U wilt, kunt U mij reinigen. En met barmhartigheid bewogen, strekte Hij zijn hand uit, raakte hem aan en zei tot hem: Ik wil het, word rein! En terstond verliet hem de melaatsheid en hij werd rein. (Marcus 1:40-42)

Zo wordt een begin gemaakt met de vervulling van het woord van God, dat Hij zou omzien naar zijn volk om het te herstellen in zijn verbond. Door de Geest hebben Maria en Zacharias dit gezien:

Hij (God) heeft Zich Israël, zijn knecht, aangetrokken, om te gedenken aan barmhartigheid - gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen – voor Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheid. (Lucas 1:54-55)

Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht, en heeft ons een hoorn des heils (een koning) opgericht, in het huis van David, zijn knecht … om ons te redden van onze vijanden … om barmhartigheid te betonen aan onze vaderen en zijn heilig verbond te gedenken, de eed, die Hij zwoer aan Abraham, onze vader … om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving van hun zonden, door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien. (Lucas 1:68-78)

De apostelen Johannes en Paulus stellen de Here Jezus voor als de verschijning, de vleeswording van Gods genade:

Het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid … immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en waarheid zijn door Christus Jezus gekomen. (Johannes 1:14-17)

Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland en God verscheen, heeft Hij, niet om werken van gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad van de wedergeboorte en van de vernieuwing door de Heilige Geest …(Titus 3:4,5)

Want de genade van God is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van onze grote God: Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een volk, volijverig in goede werken. (Titus 2:11-14)

Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want indien door de overtreding van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de genade van God en de gave, bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden. (Romeinen 5:15)

Omdat de mens niet in staat is Gods wil op volmaakte wijze te doen, heeft Hij gesproken over zijn genade waardoor Hij ons wil rechtvaardigen op grond van geloof in plaats van werken:

Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid van God openbaar geworden … door het geloof in Christus, voor allen die geloven, want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed … (Romeinen 3:21-25)

De schrijver van de brief aan de Hebreeën roept ons daarom op tot Hem te gaan, nu Hij ten behoeve van ons in de hemel optreedt als Hogepriester, die verzoening bewerkt voor allen die geloven:

Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd. (Hebreeën 4:16)

Vragen ter overdenking:

  1. Waar gaat u bij uw gebeden van uit: van wat u graag wilt, of van Gods wil?
  2. Wat komt het eerst in u op, wanneer u denkt aan de dag dat u voor de Here moet verschijnen?

Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is

Wij zijn geschapen om kinderen van God te zijn. Maar wie zegt dat te zijn, zal redelijkerwijs barmhartigheid voor de naaste, vriend of vijand als goddelijke eigenschap moeten tonen (Lucas 6:36; 1 Petrus 3:8-1,2; Judas 22,23). Het steeds weerkerende principe is dat wat wij willen dat God ons doet, wij ook onze naaste moeten doen (Efeziërs 4:32). De Here Jezus sprak hen zalig die barmhartig zijn (Matteüs 5:7). Hij zag in zijn tijd de onwetendheid over Wie God nu eigenlijk is en de huichelachtigheid van mensen die beweerden God te dienen. Velen waren zo gericht op het volmaakt vervullen van alle geboden in de wet, dat zij vergaten wat de intentie van God was. Enerzijds had dit een sterk gevoel van onwaardigheid tot gevolg, omdat zij zich bewust waren of ervan bewust werden gemaakt dat zij die volmaaktheid nooit konden bereiken. Anderzijds achtten velen zichzelf rechtvaardig, terwijl zij anderen minachtten. Bekend zijn de vreselijke woorden van de Farizeeën over de onwetendheid van het volk: “Maar die schare, die de wet niet kent, vervloekt zijn zij” (Johannes 7:49). En dat terwijl zij, met de priesters, tot taak hadden het volk te onderwijzen, en in dienst stonden van de barmhartigheid, waarin God zonden vergeeft. Paulus noemt zulke mensen later ‘zonder hart of barmhartigheid’ (Romeinen 1:31). Het oordeel over zulken zal welverdiend zijn (Jac. 2:13). Om zijn tijdgenoten een spiegel voor te houden, vertelde Jezus de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Een priester en een leviet willen zich niet verontreinigen aan een dodelijk gewonde om hun dienst in de tempel te kunnen doen (Lucas 10:25-37). Zij zeggen God te dienen, maar komen niet toe aan het belangrijkste: zijn barmhartigheid. Welk nut heeft dan hun offeren (Matteüs 12:7,23:23)?

Copyright © 2011 Broeders in Christus