De Knecht in Jesaja 53

De verhoging van de Knecht

De vierde profetie in de reeks over de Knecht des Heren begint aan het eind van Jesaja 52. Zoals al eerder aangegeven, wordt in Jesaja een vergelijking gemaakt tussen de bevrijding van Gods volk uit de ballingschap in Babel, en een veel grotere verlossing uit de slavernij van zonde en dood. De Knecht wordt afgebeeld als een dienaar die naar Gods stem luistert, en volledig Diens wil doet, in tegenstelling tot het volk Israël, dat tot knecht geroepen was maar faalde. In de hoofdstukken volgend op de 3e profetie (Jesaja 50) wordt dan een oproep gedaan aan Gods volk om te luisteren naar de verlossing die komen gaat. "Luister naar mij, jullie die gerechtigheid najagen, jullie die de HEER zoeken." (Jesaja 51:1). Gods volk heeft geboet voor zijn ongehoorzaamheid; nu zal God voor hen opkomen, en hun vijanden aanpakken. God heeft hen naar Babel gebracht en roept hen, nu zij de lessen daarvan geleerd hebben, op te vertrekken, zoals ook eerder in hoofdstuk 48: "Weg! Ga weg! Ga daar weg! Raak niets aan dat onrein is. Jullie die het heilige gerei van de HEER dragen, ga daar weg en blijf rein" (Jesaja 52:11).

Dan volgt meteen de vierde profetie over de Knecht. Nu is God aan het woord: "Ja, mijn dienaar zal slagen, hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien" (Jesaja 52:13). Hier gaat echter een woordspeling volledig verloren. De NBG’51 vertaling spreekt over “verhoogd worden”, en dit heeft twee verschillende betekenissen. We zien dit voor het eerst in het verhaal van Jozef met de bakker en de schenker. We lezen daar:

[Tot de schenker:] Binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhogen en u in uw rang herstellen ...

[Tot de bakker:] Binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhogen, en u aan een paal hangen ...

“Op de derde dag nu, de geboortedag van Farao, maakte hij een maaltijd voor al zijn dienaren. En hij verhief het hoofd van de overste der schenkers en het hoofd van de overste der bakkers te midden van zijn dienaren. Want hij herstelde de overste der schenkers in zijn schenkersambt ... Maar de overste der bakkers hing hij op, zoals Jozef hun had uitgelegd" (Genesis 40:13, 19-22).

We zien dus verhogen in een dubbele betekenis: eervol behandelen, en aan een paal ter dood brengen. Deze dubbele betekenis komen we ook tegen in het evangelie van Johannes: "En als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken. En dit zeide Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou" (Johannes 12:32-33). Deze beide aspecten van verhoging zien we ook in de inleiding van deze 4e profetie.

Een offer voorzegd

In de eerdere profetieën is niet uitgelegd hoe de verlossing tot stand zal komen. Er is beschreven hoe de Knecht, in tegenstelling tot het volk, zal luisteren en gehoorzamen, maar dat verklaart nog niet hoe het volk daardoor bevrijd zal worden. Deze profetie begint daarom met een samenvatting: “Zoals hij velen deed huiveren – zo gruwelijk, zo onmenselijk was zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens –, zo zal hij veel volken opschrikken, en koningen zullen sprakeloos staan. En zij aan wie niets was verteld, zullen zien, zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen” (Jesaja 52:14-15). Uit de woordkeuze van de vertalers blijkt echter niet dat dit een vergelijking is met de offerdiensten. Het woord “gruwelijk” heeft niets te maken met wat in de wet gruwelijk wordt genoemd (waar altijd de doodstraf op stond). Het Hebreeuwse woord komt maar op één andere plaats voor. In een hoofdstuk waarin beschreven wordt dat dieren met een gebrek niet als offer gebracht mogen worden, lezen we: "Ook van vreemdelingen mag je zulke dieren niet aannemen om ze als voedsel aan jullie God aan te bieden, want ze zijn verminkt. Ze hebben een gebrek en zullen daarom niet als offer aanvaard worden." (Leviticus 22:25). Dat woord ‘verminkt’ is hetzelfde woord als dit ‘gruwelijk’ in Jesaja 52.

In het volgende vers staat dat de Knecht volken zal “opschrikken”. Dat Hebreeuwse woord komt ruim twintig maal voor in de Bijbel, in de meeste gevallen voor het besprenkelen met bloed of olie voor reiniging (zie bijv. Exodus 29:21 of Leviticus 8:30). In de resterende gevallen (buiten dit vers in Jesaja) wordt het gebruikt voor het opspatten van bloed. Daarom vertaalt de Statenvertaling dit vers met: “Alzo zal Hij vele heidenen besprengen”. De vertalers van de NBV hebben waarschijnlijk juist gedacht aan ‘opspatten’, maar dan in overdrachtelijke zin. Het lijkt echter aannemelijker dat het woord gebruikt wordt voor het besprengen, en daarmee het reinigen, van de heidenen.

Voor ons is het thema van Christus’ offer vanzelfsprekend, maar vóór Jezus’ kruisdood werd dit niet begrepen. Hier in Jesaja wordt daarom voorzegd dat de Knecht zal bevrijden doordat hij volken zal reinigen. Hij is als een offer, maar één dat misvormd (verminkt) is door de mishandeling die hij moest ondergaan. Normaal zou zo’n offer niet aanvaardbaar zijn omdat men dan een dier brengt dat men kwijt wil, maar nu komt die misvorming (verminking) door zijn gehoorzaamheid, en is zijn offer in staat om velen te reinigen. In deze verzen zien we dus ook weer de dubbele betekenis van verhogen, als gekruisigde aan een kruis gehangen, verminkt en afschrikwekkend, maar tegelijk verhoogd tot Gods rechterhand waarvoor zelfs koningen sprakeloos zullen staan.

Zijn onbegrepen lijden

Na deze inleiding volgen de details in Jesaja 53. We zien hier de paradox van de Knecht die door God gekozen is, maar door mensen wordt afgewezen, wegens zijn nederigheid en gebrek aan aanzien. Juist Hij is degene door wie God verkiest te verlossen. De uitdrukking “de arm des Heren”, zoals in de NBG’51, vinden we voor het eerst bij de verlossing van het volk uit Egypte onder Mozes. Het duidt op Gods macht om te verlossen. De NBV heeft dan ook de feitelijke uitdrukking weggelaten en juist die betekenis weergegeven: “Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard?” (Jesaja 53:1). God verkiest om te verlossen door middel van Zijn Knecht, maar deze “arm des Heren” wordt door zijn omgeving niet herkend. Hij was “de loot” die opschoot voor Gods aangezicht (de beloofde telg uit de stronk van Isaï – Jesaja 11 – wat de koninklijke dynastie aanduidt), maar wordt gezien als een wortel uit dorre aarde.

"Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg [NBG'51: ‘voor wie men het gelaat verbergt’], veracht, door ons verguisd en geminacht. Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd" (Jesaja 53:3-4). Hoezeer dit bewaarheid werd blijkt uit de verwijzing in Johannes naar deze profetie, aan het eind van Jezus openbare prediking, waar in een samenvatting van zijn werk staat: "Ondanks de wondertekenen die hij voor hun ogen gedaan had, geloofden ze niet in hem. Zo gingen de woorden van de profeet Jesaja in vervulling, die zei: Heer, wie heeft onze boodschap geloofd? Aan wie is de macht van de Heer geopenbaard?" (Johannes 12:37-38).

Toen God zijn volk uit Egypte verloste en met hen een verbond sloot te Sinaï, heeft Hij zijn naam, d.w.z. zijn karakter, aan Mozes bekend gemaakt. "De Heer ging voor hem langs en riep uit: De Heer! De Heer! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde" (Exodus 34:6-7). Deze combinatie van Hebreeuwse woorden, hier vertaald als “schuld, misdaad en zonde”, komen we ook tegen in de profetie over de tijd tot de komst van de Messias in Daniël 9. "Zeventig weken zijn vastgesteld ... voordat aan de overtredingen een einde komt en de zonden zijn afgesloten, voordat het wangedrag is vergolden en eeuwige gerechtigheid is gebracht" (Daniël. 9:24). Ze zijn daar dus vertaald als overtredingen, zonde en wangedrag. En dezelfde drie woorden komen we, als zonde, wandaden en schuld (NBG’51: ongerechtigheid, overtreding en zonde) ook hier weer tegen, in deze profetie van Jesaja over de verlossing van zonden die de Knecht gaat brengen. Om de woorden te herkennen is echter het gebruik van een meer exacte vertaling zoals de NBG’51 (of eventueel de Statenvertaling) nodig.

De overwinning van de Knecht

Dit hoofdstuk 53 in Jesaja geeft duidelijk aan hoe de Knecht gewillig Gods verlossing uitvoerde. “Hij werd mishandeld maar verzette zich niet”, “als een schaap dat naar de slacht wordt geleid… deed hij zijn mond niet open”. En uiteindelijk werd Jezus door de Joodse leiders, en vervolgens Pilatus, ter dood veroordeeld in een proces dat onder Joodse wet onrechtmatig was, en door omkoping van de stadhouder: "Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad?" (Jesaja 53:8). Ook zijn begrafenis wordt in dit hoofdstuk beschreven. "Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken." (Jesaja 53:9). Hij was bedoeld om te worden begraven als gekruisigde misdadiger, maar in feite werd hij begraven in de graf van een rijke (dat van Jozef van Arimatea). God leidde dit op deze wijze omdat hij in werkelijkheid onschuldig was.

Omdat hij nooit onrecht deed, en omdat hij de volmaakte Knecht was, heeft God hem, na Zijn verhoging aan het kruis, nu verhoogd in de tweede betekenis. "Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen. Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op" (Jesaja 53:12). Het werk van de Knecht heeft Gods verlossingswerk mogelijk gemaakt: "En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde." (Jesaja 53:10).

Alle citaten uit de NBV, tenzij anders vermeld.

Copyright © 2011 Broeders in Christus