De Knecht in Jesaja 49

De behoefte aan verlossing

In het eerste deel van deze artikelserie hebben we gezien hoe God een knecht of dienaar zou roepen en hem ondersteunen. Het volk Israël als geheel had gefaald in zijn roeping om, als Gods knecht, de wereld duidelijk te maken wat het betekende Gods volk te zijn. God zou daarom uit dat volk één in het bijzonder roepen. De eerste ‘knechtprofetie’ hierover vinden we in de aanvangsverzen van Jesaja 42.

Dit deel van Jesaja’s profetie gaat over het volk Israël in ballingschap in Babel. Maar hij maakt duidelijk dat de verlossing die het volk echt nodig heeft, niet een bevrijding is uit die ballingschap, maar een totale bevrijding van de zonde, die evenzeer het volk beheerste. Het contrast dat Jesaja daarvoor gebruikt, is dat van God versus de afgoden, als het maaksel van mensenhanden. Hoewel wij onder afgoden vaak uitsluitend de primitieve beelden verstaan die de andere volken aanbaden, verstaat de Bijbel daaronder ook het aanbidden van God op een andere manier dan voorgeschreven (zoals met het gouden kalf). In onze moderne wereld zijn er nog genoeg van zulke afgoden, zonder dat we meteen hoeven te denken aan primitieve volken. We zien in de hoofdstukken na deze eerste profetie over de knecht hoe er een parallel getrokken wordt tussen de ballingschap in Babel en de ‘verslaving’ aan de zonde:


Babel Hoofdstuk De zonde Hoofdstuk
Een volk in gevangenschap 42-18-25 Een volk onder de zonde 43:22-28
Bevrijding 43:1-8 Bevrijding 43:25-44:5
De Here, verlosser en enige God in tegenstelling tot afgoden 43:9-13 De Here, verlosser en enige God in tegenstelling tot afgoden 44:6-20
Verlossing uit Babel 44:14-21 Verlossing van zonde 44:21-23

God verlost, en daarbij is de verlossing uit Babel slechts een beeld van de werkelijke verlossing die de mens nodig heeft. De volgende hoofdstukken tonen aan hoe het volk tekortgeschoten is, hoe hun verblijf in Babel hen nog niet aanvaardbaar gemaakt heeft, en vooral hoe God dan, door de ware Knecht, het volk met zich zal verzoenen.

Een gezalfde geroepen

In verband met de verlossing van het volk lezen we hoe God zijn gezalfde roept. Het woord voor gezalfde is in het Hebreeuws Messias en in het Grieks Christus. Dit blijkt de Perzische koning Kores te zijn (Jesaja 45:1). Sommigen hebben moeite met zo’n vergelijking tussen Kores, een puur wereldse koning, en Jezus. Het gaat hier echter niet om een godvrezend leven, maar om een specifiek aspect van Gods verlossing. Kores was de koning, die Gods volk de vrijheid gaf uit Babel te vertrekken. Zo is ook Christus de door God aangestelde koning, die Zijn volk van de zonde zal bevrijden. Het woord verlosser is afgeleid van ‘losser’, een familielid dat in staat was iemand vrij te kopen als hij tot slavernij was vervallen. Het volk was gevangen in Babel, maar nog veel meer in hun eigen falen. Zij worden vrijgekocht door Gods losser. Dan spreekt deze verlosser zelf: "God, de HEER, heeft mij gezonden, met zijn geest.” En God vervolgt: “Dit zegt de HEER, je bevrijder, de Heilige van Israël: Ik ben de HEER, jullie God, die jullie onderricht in je eigen belang, die jullie leidt op de weg die je gaat. Luisterde je maar naar mijn geboden, dan zou jouw vrede zijn als een rivier, en je gerechtigheid als de golven van de zee. Je nageslacht zou zijn als het zand, je nazaten ontelbaar als zandkorrels. Je naam zou nooit worden uitgewist, maar voor altijd bij mij voortleven" (Jesaja 48:16-19). Gods volk wordt dan opgeroepen uit Babel te vertrekken. “Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën! Verkondig dit met luid gejuich, laat het horen, laat weten tot aan de einden der aarde: De HEER koopt zijn dienaar Jakob vrij!” (Jesaja 48:20). Het lijkt ironisch dat God zijn volk in ballingschap heeft doen gaan, om het vervolgens op te roepen weer te vertrekken. Als we echter inzien hoe in de Schrift Babel steeds symbool staat voor een mensheid die Gods geboden niet wenst te volgen, begrijpen we waarom Israël niet in het beloofde land thuishoorde, totdat het weer zijn bijzondere positie als Gods volk besefte. Toen dat besef er was, volgde de oproep om te vertrekken. Een weerklank hiervan vinden we in Openbaring 18:4, als oproep aan de gelovige vandaag.

De Knecht spreekt

De Knecht spreekt verder in hfdst. 49. Hij richt zich niet enkel tot het volk Israël, maar tot alle volken: “Eilanden, hoor mij aan, verre volken, luister aandachtig. Al in de schoot van mijn moeder heeft de HEER mij geroepen, nog voor ze mij baarde noemde hij mijn naam ... Hij heeft me gezegd: Mijn dienaar ben jij. In jou, Israël, toon ik mijn luister” (Jesaja 49:1-3). De uitdrukking ‘eilanden’, aan het begin van dit citaat (in de NBG’51 vertaald als kustlanden), betekent zoiets als ‘de uithoeken van de aarde’. Deze oproep om te luisteren gaat dus uit tot de hele wereld, en niet enkel tot Israël.

De Knecht getuigt hoe hij door God geroepen is. Hij krijgt hier de naam Israël, maar uit de verdere tekst blijkt dat het niet over het volk als geheel kan gaan, want dat moet hij juist redden. Israël als geheel was niet aan de knecht-rol toegekomen. Het had gefaald, zoals we vorige keer al zagen. Nu heeft God één in het bijzonder uit dat volk uitgekozen om de ware Knecht te zijn, en allereerst zijn volk te bevrijden. God had al aangekondigd hoe hij zijn macht zou tonen door zijn volk uit Babel te bevrijden, maar de Knecht gaat nog veel verder in zijn getuigenis van Gods luister.

De apostel Johannes komt hier veelvuldig op terug. Hij vermeldt vaak hoe Jezus Gods luister getoond heeft: “Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat u mij opgedragen hebt” (Johannes 17:4). Het woord grootheid is hetzelfde Griekse woord als in de Griekse vertaling van het OT. In de NBG’51 wordt het in beide gevallen weergegeven met ‘verheerlijken’. Hier is de ware Knecht aan het woord, die niet gefaald heeft in zijn roeping, maar die werkelijk Gods luister aan de wereld getoond heeft. Tevens heeft hij getoond hoe God een verlossende God is, door het kruis. Zoals Paulus later zou schrijven: "De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God" (1 Korintiërs 1:18). Die kracht wordt in het klein getoond in de verlossing uit Babel, maar uiteindelijk in het verlossen van de mensheid uit de zonde. De grootheid of verheerlijking waar Johannes over schrijft komt ook tot uitdrukking in het bekeren van mensen om hen tot discipelen te maken. Jezus zegt: "Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn" (Johannes 15:7-8).

Toch lijkt het alsof deze missie van Jezus in eerste instantie mislukt is. De evangeliën spreken van een schare die Jezus wel volgt, maar die het in meerderheid slechts te doen is om de tekenen. De weerstand tegen Jezus neemt steeds verder toe. Uiteindelijk schreeuwt het volk in Jeruzalem: “Kruisig hem”. Hierover spreekt Jesaja wanneer hij de reactie van de Knecht weergeeft: "Maar ik zei: Tevergeefs heb ik me afgemat, ik heb al mijn krachten verbruikt, het was voor niets, het heeft geen zin gehad. Maar de HEER zal me recht doen, mijn God zal me belonen" (Jesaja 49:4).

Het heil voor alle volken

Jesaja sprak in eerste instantie over de verlossing van het volk: hoe de afvallige knecht verlost zou worden door de volmaakte Knecht. Maar zijn roeping ging verder: "Toen sprak de HEER, die mij al in de moederschoot gevormd heeft tot zijn dienaar om Jakob naar hem terug te brengen, om Israël rond hem te verzamelen … Hij zei: Dat je mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin" (Jesaja 49:5-6). De verlossing zou veel verder gaan: niet enkel het volk bevrijden, maar heel de wereld tot God brengen. "Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt. Dit zegt de HEER, de bevrijder, de Heilige van Israël, tegen hem die smadelijk veracht wordt, die door vreemde volken wordt verafschuwd, die dienaar is van vreemde heersers: Koningen zullen dit zien en opstaan, vorsten buigen diep voorover, omwille van de HEER, die betrouwbaar is, de Heilige van Israël, die jou heeft uitgekozen" (Jesaja 49:6-7). Dit “smadelijk veracht” wijst al vooruit naar de gedetailleerde beschrijving in de vierde Knechtprofetie, waar we in een volgend artikel op terug zullen komen.

Messias en knecht

Bij Jezus’ eerste komst zal de koppeling tussen de Knecht uit Jesaja en de Gezalfde (Messias) in één persoon geen vanzelfsprekendheid zijn geweest. Voor wie alléén het Oude Testament kent, is dit niet zo duidelijk. Het valt dan ook op, hoe dit vanaf het eerste moment nadrukkelijk wordt aangegeven. Jezus wordt als baby van iets meer dan een maand naar de tempel gebracht, waar de oude Simeon de openbaring krijgt dat Jezus de Messias, de gezalfde, is. Hij looft God en citeert uit Jesaja 49: "Want met eigen ogen heb ik de redding gezien, die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israël, uw volk" (Lucas 2:30-32). Tot grote verbazing van Jozef en Maria verklaart Simeon, door de leiding van de Geest, hier dat Jezus zowel de Gezalfde is als de Knecht. De stem uit de hemel, zowel bij Jezus’ doop als bij de verheerlijking op de berg, geeft dezelfde koppeling: "Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde" (Lucas 3:22). Het eerste deel van deze zin is een citaat uit Psalm 2:7 over de Messiaanse koning, het tweede deel een citaat uit de eerste Knechtprofetie (Jesaja 42:1). Deze woorden uit de evangeliën laten duidelijk zien, hoe de gelovige in die dagen moest leren begrijpen, wat voor ons achteraf meer vanzelfsprekend is, namelijk dat Jezus kwam als Koning, als Messias of Christus, maar ook als de Knecht uit Jesaja om Gods verlossingswerk tot stand te brengen waardoor Gods grootheid getoond zou worden.

Copyright © 2011 Broeders in Christus