Christus in de Psalmen - conclusie

In deze afsluiting van deze reeks over Christus in de psalmen stellen we de vraag in hoeverre er nog veel meer psalmen naar Jezus wijzen. Het kiezen van psalmen die vooruit wijzen naar Christus is enigszins subjectief. Van sommige psalmen, zoals Psalm 22, is het heel duidelijk. Details van deze psalm zien we in vervulling gaan rond het kruis. Er zijn echter ook psalmen die de situatie van de psalmist beschrijven, waar Jezus aan denkt in zijn strijd. De laatste woorden van Jezus, voor hij sterft, “Vader, in uw handen leg ik mijn geest”, zijn een citaat uit Psalm 31 (vers 6). De psalmist vertrouwt dat hij veilig is in Gods handen en dat God hem zal redden van de dood, waar Jezus vertrouwt door de dood heen gered te worden. Door dit citaat zien we ten eerste hoe Jezus, zelfs in een tijd van ondragelijk lijden en sterven, met zijn gedachten in de Schrift is, en ten tweede laat de psalm ons dus zien waar Jezus aan denkt, iets wat we uit de evangeliën niet zouden weten. Door de hele psalm te lezen tegen die achtergrond leren we iets over zijn gedachten, al zijn dan uiteraard niet alle verzen van toepassing. Dat is de reden waarom sommigen de psalmen ‘het vijfde Evangelie’ noemen.

Welke psalmen zijn Messiaans?

De vraag welke psalmen toe te passen zijn op Jezus laat zich dus niet eenvoudig beantwoorden. Sommigen zullen veel willen zien als voorspelling waar anderen veel terughoudender zijn. Toch geeft de Schrift ons wel wat indicaties. Een belangrijke indicatie zien we als een psalm in het Nieuwe Testament wordt aangehaald. Minstens 60 psalmen worden aangehaald in het Nieuwe Testament, maar ook daarmee zijn de grenzen vaag. Soms wordt een vers letterlijk aangehaald met de vermelding dat het een psalm is, maar soms vinden we alleen een zinsnede herhaald, of slechts enkele woorden. Is het dan een citaat?

In Psalm 16 zien we een psalm waar wijzelf in eerste instantie geen verband met Christus zouden opmerken. We zien dan vervolgens hoe zowel Petrus als Paulus deze psalm gebruiken als bewijs dat Jezus uit de dood moest opstaan. Petrus zegt dat David dit als profeet heeft gesproken: “Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, heeft hij de opstanding van de Messias voorzien en gezegd dat deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan” (Handelingen 2:30-31). De kleine afwijkingen tussen wat in Psalm 16:10 staat en Handelingen 2:31 en 13:35 komen doordat Petrus en Paulus uit de Griekse vertaling van de psalm citeren. Dus we kunnen nu teruggaan en de hele psalm lezen tegen de achtergrond van wat er met Jezus is gebeurd. Want de schrijvers citeren geen verzen uit hun verband. En dan krijgt ook het volgende vers van de psalm een andere betekenis: “U wijst mij de weg naar het leven: overvloedige vreugde in uw nabijheid, voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde” (Psalm 16:11). Dit kunnen we ook doen met andere psalmen die we geciteerd zien in het Nieuwe Testament, zoals de Psalmen 40 en 91.

We zien hieruit hoe de apostelen citeren uit de psalmen als onderbouwing van hun betoog zonder ooit uit te leggen waarom ze aannemen dat de psalmist dit met het oog op Jezus zou hebben geschreven. Dat is opmerkelijk, want zij doen dat niet alleen met psalmen die ook wij zonder meer zien als een profetie over Jezus, maar ook met psalmen waarvan wij dat niet zouden zeggen. Enkele van deze psalmen zijn eerder in deze reeks behandeld (o.a. de Psalmen 34, 41 en 109). Daar konden we inderdaad zien hoe de psalm, naast zijn oorspronkelijke betekenis, ook op Jezus toepasbaar was. Aan de andere kant zijn er ook psalmen die niet in het Nieuwe Testament worden aangehaald, maar die toch iets over de Messias zeggen. Als voorbeeld is eerder in deze serie gekeken naar de Psalmen 18 en 72. Nu hebben wij niet de autoriteit van de apostelen als het gaat om schrift-uitleg. Toch mogen wij ook hierin hun voorbeeld volgen en nagaan of bepaalde psalmen ook op Jezus kunnen slaan. We kunnen dan een willekeurige psalm lezen in het licht van wat we over Jezus weten en zien of die ergens van toepassing is.

Soorten profetische psalmen

Bij de psalmen die in deze serie zijn behandeld, zien we een drietal onderwerpen waar psalmen, die een toepassing blijken te hebben op Christus, over gaan. Dat zijn:

  • Zijn vertrouwen op God gedurende zijn aardse leven, in het bijzonder als hij wordt verworpen.
  • Zijn overwinning en koningschap, zowel nu als in de toekomst.
  • Een roep om wraak over de vijanden.

Vooral dat laatste is een moeilijk onderwerp, omdat het niet past in het beeld van Jezus die vergeving zocht voor zijn vijanden en voor hen bad. We zien hierin dan ook een aantal verschillende aspecten. Aan de ene kant zien we een tegenstelling tussen de normale menselijke reactie van de psalmist en de reactie van Jezus om zijn vijanden lief te hebben. Aan de andere kant zien we Jezus’ afschuw van huichelaars en vooral van mensen die anderen beletten God te aanbidden. Als hij de tempel schoonveegt is zijn optreden niet zachtzinnig. Maar ook is hij erg hard in zijn oordeel over sommige van de geestelijke leiders. Hij noemt deze mensen onder meer gewitte graven, volkomen onrein. Probeer eens Psalm 101 te lezen en de woorden op Jezus toe te passen. Het gaat in eerste instantie over het koningschap van David, maar is ook toepasselijk voor het koningschap van de Messias. Tijdens Jezus’ leven op aarde genas hij en vergaf hij, maar zijn tweede komst brengt ook oordeel. Hij verwacht van ons een zondeloosheid, niet omdat wij vanuit onszelf zonder zonde zijn, maar omdat wij werkelijk berouw tonen voor onze fouten en dan vergeving vragen waarmee onze zonden door genade weggedaan worden. Dat was het verschil tussen Petrus en Judas. Beide hebben hun Heer verloochend. Petrus zocht vergeving; Judas nam aan dat hij geen vergiffenis zou ontvangen. En daarom is Petrus niet hoogmoedig als hij citeert uit een tweetal psalmen wanneer hij over Judas zegt: “In het boek van de psalmen staat namelijk geschreven: 'Laat zijn woonplaats een woestenij worden en laat niemand daar meer verblijven'. En ook: 'Laat een ander zijn taak overnemen'.” (Handelingen 1:20). Ook hier mogen we niet aannemen dat Petrus deze woorden uit hun verband rukt. In de psalmen die zondermeer profetisch zijn, zoals Psalm 2 (over de messiaanse koning) komen we ook verzen tegen over zijn optreden tegen de volken “Jij kunt ze breken met een ijzeren staf, ze stukslaan als een aarden pot”. Deze beide aspecten kunnen we dus meenemen als we proberen een psalm op Jezus toe te passen, waarbij we niet aan mogen nemen dat Jezus alles door de vingers zal zien.

Vertrouwen op God

Sommige psalmen beschrijven iemand die met een volkomen toegewijd hart zijn vertrouwen op God stelt. Die zijn vaak toepasbaar op Jezus. Aan het begin van zijn leven, vóór zijn fout met Batseba, schreef David psalmen tegen de achtergrond dat hij God met een volkomen hart diende. Hij stelt zijn vertrouwen daarbij volkomen op God. Zulke woorden zijn dan vaak toepasbaar op de ware “Zoon van David”. Maar er zijn ook andere voorbeelden. Psalm 116 staat in de reeks van ‘de Egyptische Hallel’, die vooral met Pasen werd gebruikt. Toen de discipelen het laatste Pascha voorbereidden zouden ze aan het verleden denken, de verlossing uit Egypte, terwijl Jezus vooruit keek naar de verlossing die komen zou. In de Evangeliën lezen we alleen maar over de strijd in de hof. Maar zou dat niet al in de bovenzaal in zijn gedachten zijn geweest? “Banden van de dood omknelden mij, angsten van het dodenrijk grepen mij aan, ik voelde angst en pijn. Toen riep ik de naam van de Heer: Heer, red toch mijn leven!” (Psalm 116:3-4). Maar als we dan verderop in de psalm lezen, zien we het besef wat de dood gaat brengen: “Ik zal de beker van bevrijding heffen, de naam aanroepen van de Heer en mijn geloften aan de Heer inlossen in het bijzijn van heel zijn volk. Met pijn ziet de Heer de dood van zijn getrouwen. Ach, Heer, ik ben uw dienaar, uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares: u hebt mijn boeien verbroken. U wil ik een dankoffer brengen” (Psalm 116:13-18). Deze woorden krijgen een bijzondere betekenis in het licht van het offer van Jezus.

Als de koning der wereld

De derde categorie van psalmen zijn die welke te lezen zijn tegen de achtergrond van Jezus’ overwinning en koningschap. Dergelijke psalmen zijn vaak geschreven als een bede voor de koning. In eerste instantie ging dat over een aardse koning, vaak David of Salomo, maar de volledige vervulling zal pas in Christus plaats vinden. Psalm 20 beschrijft de overwinning van een koning: “Laat ons juichen om uw overwinning, het vaandel heffen, in de naam van onze God. Moge de Heer al uw wensen vervullen. Dit weet ik zeker: de Heer schenkt de overwinning aan zijn gezalfde, hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel met de overwinning door zijn machtige hand. Anderen vertrouwen op paarden en wagens, wij op de naam van de Heer, onze God” (Ps. 20:6-8). Als we dan beseffen dat het woord gezalfde hier in de psalm het Hebreeuwse woord Messias of het Griekse Christus is, dan kunnen we hier zonder moeite de overwinning over de zonde in lezen. Uiteraard had de psalm een eerste toepassing in het leven van David, maar hij krijgt nog een verdere betekenis tegen de achtergrond van de overwinning van Christus. Ook Psalm 21 is te lezen tegen de achtergrond van Christus koningschap.

David bezat veel minder schrift dan wij. Maar hij dacht daar diep over na en leerde daarmee God beter kennen. Wij hebben nu meer schrift, ook de psalmen. Wanneer wij een psalm lezen, kunnen wij die dus ook proberen te lezen tegen de achtergrond van Christus, zijn leven op aarde, zijn overwinning en zijn koningschap. En als wij daar dieper over nadenken vinden wij nog meer psalmen die ons helpen om onze Heer beter te leren kennen.

Laten de woorden van mijn mond u behagen, de overpeinzingen van mijn hart u bekoren, Heer, mijn rots, mijn verlosser. (Psalm 19:15).

Copyright © 2011 Broeders in Christus