Christus in de Psalmen - Psalm 110

Profetieën over Christus in de Psalmen, blijken vooral twee aspecten te beschrijven. Er zijn Psalmen die over het lijden van Jezus gaan, de gebeurtenissen zelf of een beschrijving van zijn gevoelens. En daarnaast zijn er Psalmen die Jezus beschrijven als Koning, als de Zoon van God die namens God regeert. Een voorbeeld van dit laatste zien we in Psalm 110. Aangezien deze Psalm (vooral de verzen 1 en 4) van alle passages in het Oude Testament het meest wordt aangehaald in het Nieuwe, lijkt het redelijk onze studie met deze Psalm te beginnen.

Psalm 110

Het voordeel van zoveel aanhalingen in het NT is dat we een aantal zaken als vaststaand kunnen aannemen, omdat de uitleg van Jezus of de apostelen daarop is gebaseerd. Allereerst het feit dat de auteur van de Psalm 110 David is, zoals vers 1 inderdaad vermeldt. Alle theologische discussies over de vraag door wie hij geschreven is, kunnen we dus meteen vergeten. Jezus vermeldt het zelfs met nadruk: “David zelf”. Verder is het ook duidelijk dat de schriftgeleerden in Jezus’ dagen het er over eens waren dat het onderwerp van deze Psalm de Messias (de Christus) is. En zowel het een als het ander is van belang, want Jezus stelt hen daar een vraag over. “Hoe kan men beweren dat de Messias een zoon van David is? Want David zelf zegt in het boek van de Psalmen: ‘De Heer sprak tot mijn Heer: Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt.’ David noemt hem dus Heer, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?” (Lucas 20:41-44). Op zich was er niets vreemds aan de bewering dat de Messias een zoon (afstammeling) van David zou zijn. Er zijn genoeg andere teksten die dat zonneklaar duidelijk maken, waaronder de beloften van God aan David zelf. Toch had Jezus gelijk met deze vraag te stellen.

Zijn afkomst

In deze Psalm 110 maakt David, geïnspireerd door de Geest, duidelijk dat de Messias niet zomaar een volgende koning uit de lijn van David zou zijn, die het alleen maar wat beter zou doen dan zijn voorgangers, maar dat hij een veel verhevener plaats zou innemen. Helaas twijfelen velen aan de gedachte dat Gods Geest mensen kan inspireren om betrouwbare voorspellingen op te schrijven. Maar het is de Here Jezus zelf, die dit zegt over deze verzen: “Zelf heeft David, geïnspireerd door de heilige Geest, gezegd: ‘De Heer sprak tot mijn Heer’” (Marcus 12:36). David toont eerbied voor de toekomstige Messias. Hij spreekt over Hem als “mijn Heer”. In onze vertalingen staat tweemaal het woord Heer, maar in het Hebreeuws van de Psalm is het eerste Gods verbondsnaam (YHWH), die hier als ‘heer’ wordt weergegeven, terwijl het tweede ‘Heer’ een woord is dat gebruikt wordt voor iemand die over je regeert of waarmee een slaaf zijn meester aanspreekt. In het Grieks van het Nieuwe Testament zien we wel tweemaal hetzelfde woord omdat de Joden, uit eerbied voor God, zijn naam niet wilden uitspreken. Het probleem voor de schriftgeleerden zat in het feit dat in de bijbelse denkwijze degene die later komt altijd minder is dan degene die hem heeft voortgebracht. In een soortgelijk beeld zegt de schrijver aan de Hebreeën dat het priesterschap van Levi minder is dan dat van Melchizedek, want Levi stamt af van Abraham, en is dus minder dan Abraham, terwijl Abraham zelf in Melchizedek zijn meerdere erkende (Hebreeën 7). En “het staat buiten kijf dat de mindere altijd gezegend wordt door de meerdere” (Hebreeën 7:7). Over deze Melchizedek spreekt de Psalm in vers 4 waar we later naar zullen kijken. De vraag van Jezus is hier: Hoe kan David een van zijn afstammelingen zijn heer noemen? Het antwoord is voor ons wellicht eenvoudiger dan voor hen, vooral omdat het de schriftgeleerden niet uitkwam om een antwoord te geven. Als zoon van Maria is Jezus duidelijk een afstammeling van David, maar tegelijkertijd is God zijn Vader, en is Hij dus Zoon van God, door God zelf verwekt. Daarom bewijst David hem eer.

Gezeten aan Gods rechterhand

Psalm 110 lijkt soms wat verwarrend omdat je eerst moet vaststellen wie de spreker is en wie aangesprokene. De NBV is hier aardig in geslaagd. In vers 1 is God aan het woord. In de rest van de Psalm is het de Psalmist die spreekt, hoewel vers 4 een citaat van God is. In de verzen 2 en 3 spreekt de Psalmist tot de Messias, en in vers 5 t/m 7 spreekt de Psalmist tot God, over de Messias (“de Heer aan uw rechterhand”).

Wat God in vers 1 tot de Messias zegt valt echter op: “Neem plaats aan mijn rechterhand”. Wellicht lezen we hier overheen, maar beschrijvingen van Gods troon vermelden altijd dienaren die om Hem heen staan. Hier wordt echter tot iemand gezegd dat hij in Gods aanwezigheid mag zitten, zelfs aan zijn rechterhand, een duidelijk beeld van de eer die aan de Messias wordt geschonken. In het Nieuwe Testament wordt hier veelvuldig aan gerefereerd om een boodschap kracht bij te zetten:

  • Jezus is verhevener dan de engelen: “Tegen wie van de engelen heeft hij ooit gezegd: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt’? Zijn zij niet allen dienende geesten?” (Hebreeën 1:13).
  • God heeft hem verhoogd terwijl mensen hem verwierpen: “Nadat u (Jezus) had vermoord ... heeft God (Hem) een plaats gegeven aan zijn rechterhand” (Handelingen 5:30).
  • De tegenstelling tot de priesters onder de Wet: “Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst ... deze echter is ... voor altijd gezeten aan de rechterhand van God” (Hebreeën 10:11-13, NBG’51).
  • Als pleiter voor zijn volk: “Christus Jezus ... die is opgewekt en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons” (Romeinen 8:34).

Priester naar de orde van Melchizedek

Voordat we verder gaan, eerst nog iets over het verband dat de nieuw-testamentische schrijvers leggen met het priesterschap. Psalm 110 spreekt over een koning. Maar daarna lezen we in vers 4: "De heer heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: Je bent priester voor eeuwig, zoals ook Melchizedek was”. Onder het oude verbond was de koning een ander dan de priester. Deze functies waren zelfs aan verschillende zonen van Jakob toegedeeld: de priester stamde af van Levi terwijl de koning van Juda afstamde. In het geval van Melchizedek zien we echter iets anders. "Melchizedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste" (Genesis 14:18). Melchizedek was tegelijkertijd zowel koning als priester. Onder het oude verbond waren dit wel de twee functies waarvoor de bekleders voor hun taak werden gezalfd. Daarom draagt Jezus de titel “gezalfde”: in het Hebreeuws ‘Messias’ en in het Grieks ‘Christus’. Van Melchizedek wordt ons met opzet weinig verteld, want hij is een beeld van Christus, in de gecombineerde functie van koning en (hoge-)priester. Bij Melchizedek was er geen sprake van een priesterklasse daarom wordt hij enkel aangeduid als priester en niet als hogepriester.

Regerend vanuit Sion …

Psalm 110 laat dan zien hoe de Messias namens God zal regeren: “Uit Sion reikt de heer u de scepter van de macht, u zult heersen over uw vijanden” (Psalm 110:2). Dit beschrijft het Koninkrijk, wanneer de Here niet meer naast God zal zitten, maar uitgezonden is om het Koninkrijk op aarde op te richten. De scepter is een symbool van macht. De plaats van het woord ‘Sion’ in de zin wijkt in verschillende vertalingen echter behoorlijk af. De Petrus Canisius vertaling geeft deze zin als volgt weer: “Jahweh zal U een machtige schepter verlenen: Treed uit Sion als Heerser te midden uwer vijanden!” waarmee het beter aansluit bij andere verzen die beschrijven hoe Jezus vanuit Jeruzalem (Sion) zal regeren.

Blijkbaar zijn er dus twee soorten onderdanen: het volk dat klaar staat, en de vijanden die verpletterd worden. Deze Koning wordt niet door iedereen geaccepteerd, wat we ook uit de rest van de Schrift kunnen opmaken. De laatste verzen maken duidelijk hoe Jezus korte metten maakt met degenen die zijn rechtvaardig koningschap niet accepteren.

… met wie van Christus zijn bij zijn komst

Het vers dat de meeste problemen geeft is vers 3, mede doordat de handschriften hier van elkaar afwijken. Waar in de NBV gesproken wordt over het volk dat “klaar staat” wordt een woord gebruikt dat bijna altijd vertaald wordt met ‘vrijwillige offergave’. Blijkbaar gaat het om een volk dat als offer zichzelf heeft gegeven aan hun Heer, zoals Paulus later zal schrijven: “om uzelf als een levend ... offer in zijn dienst te stellen” (Romeinen 12:1). Het volk staat dus gereed om te dienen.

“Op de dag dat u ten strijde trekt” betekent letterlijk: op de dag van uw macht. De NBG’51 vertaling geeft dit vers weer als: “Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op”. Er zijn voldoende redenen om ‘de schoot van de dageraad’ hier te zien als de opstanding bij zijn komst. De dageraad beschrijft de nieuwe dag, en de schoot duidt op het nieuwe leven dat deze nieuwe dag zal baren. Het volk van Jezus zal daar dan staan in ‘heilige feestdos’ (in de gelijkenissen van Jezus duidt dat op het bruiloftskleed).

Tot slot ‘de dauw uwer jonge mannen’. Dauw is verwant aan de dageraad, de nieuwe dag, en kan het nieuwe leven aanduiden. Zoals Jesaja schrijft: “Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan. Ontwaak, jullie daar in het stof, en jubel! Uw dauw is een dauw die leven geeft, de aarde brengt haar schimmen weer tot leven” (Jesaja 26:19).

Conclusie

In deze Psalm 110 vinden we dus een profetie over deze machtige Messias, de koning en priester, de zoon van David die echter ook de Zoon van God zal zijn. En die namens God zal regeren vanuit Sion, met een hard oordeel over zijn vijanden, maar met nieuw leven voor degenen die zichzelf nu reeds tot een vrijwillig offer stellen.

Copyright © 2011 Broeders in Christus