De brieven van Paulus aan de Tessalonicenzen

Auteur — Paulus

Tijd — ca. 50 na Chr.

Samenvatting — Deze beide brieven zijn geschreven aan de jonge gemeente te Tessalonica, vanuit Korinte, waar Paulus 1 ½ jaar heeft gewerkt. Paulus had Tessalonica overhaast moeten verlaten nadat de Joodse gemeente daar hem had aangeklaagd bij de Romeinse autoriteiten. Hij had zijn prediking daarom niet af kunnen maken. Na Tessalonica had hij nog enige tijd gepredikt in Berea, totdat de Joden uit Tessalonica hem ook dat onmogelijk maakten. Zie Handelingen 17:1-14. Vandaar was hij vertrokken naar Athene, totdat hij daar problemen kreeg met de Griekse autoriteiten en ook die stad moest verlaten. Vandaar vertrok hij naar Korinte. Daar voegen Silas (ook aangeduid als Sylvanus), Timoteus en Titus zich weer bij hem (Handelingen 18:1-5). Paulus is blij met het nieuws dat hij ontvangt, maar ziet in dat hij bepaalde dingen verder moet uitleggen, vooral met betrekking tot de wederkomst van Christus. Dat doet hij in de eerste van deze beide brieven. Hij laat Timoteus die brengen, en wanneer deze terugkomt met verder nieuws zendt hij hem meteen weer terug met aanvullende uitleg en gedragsregels in de tweede brief.

1 TESSALONICENZEN

Nadat Paulus hen heeft geprezen om hun geloof, dat intussen al over een breed gebied vermaard is geworden, praat hen nog bij over de wederkomst van Christus en zet hun verwachting recht dat zij die intussen gestorven zijn die wederkomst zouden ‘missen’. Daar is geen sprake van, zegt hij, eerst zullen de gestorven gelovigen opstaan, en pas daarna zullen zij samen met hen de terugkerende Christus ontmoeten. Toch zijn er ook waarschuwingen. Hij benadrukt de noodzaak om de levenswandel die zij er vroeger op na hielden, volledig achter zich te laten. Uit zijn woorden blijkt niet dat zij op dat punt echt tekort schieten, maar blijkbaar beschouwt hij het toch als een risico. Verder moeten ze waakzaam blijven er voor zorgen dat ze ‘gereed’ zijn wanneer Jezus komt. Aan het slot zijn er nog wat  verdere raadgevingen, o.a. dat zij diegenen terecht moeten wijzen die, kennelijk in de verwachting van een spoedige wederkomst, zijn opgehouden met hun dagelijks werk (4:14).

Opbouw van de brief

  1. Paulus prijst hun voorbeeldige geloof — hoofdstuk 1
  2. Paulus herinnert hen aan zijn verblijf en verheugt zich over het goede nieuws dat hij heeft ontvangen — hoofdstuk 2 - 3
  3. Paulus vermaant hen tot een correcte levenswandel — hoofdstuk 4: 1 – 12
  4. Nadere toelichting over de wederkomst en de noodzaak tot waakzaamheid – hoofdstuk 4:13 - 5:11
  5. Raadgevingen en groet – hoofdstuk 5:12 - eind

2. TESSALONICENZEN

In zijn tweede brief gaat Paulus nog wat nader in op bepaalde punten. Hij waarschuwt tegen een ongefundeerde verwachting van een zeer spoedige wederkomst, waardoor sommigen gestopt zijn met werken en nu leven op de zak van anderen. Hij herinnert hen aan zijn prediking toen hij bij hen was: er moet eerst nog een wijdverbreide geloofsafval komen. Blijkbaar zijn er ‘profeten’ actief die een spoedige wederkomst aankondigen, en er blijken ook valse brieven in omloop te zijn, zogenaamd van Paulus afkomstig, die dat zouden bevestigen (2:2). Aan het slot van de brief schrijft hij daarom een stukje eigenhandig (dus niet gedicteerd), zodat zij weten hoe zijn handschrift er uit ziet en ze dat in het vervolg kunnen controleren (3:17).

Opbouw van de brief

  1. Paulus’ dankzegging en voorbede — hoofdstuk 1
  2. Verdere informatie omtrent de wederkomst – hoofdstuk 2
  3. Raadgevingen, toegespitst op hen die niet werken, en groet - hoofdstuk 3

Copyright © 2011 Broeders in Christus