Het evangelie van Lucas

Auteur — Lucas, de geneesheer

Tijd — 4 v. Chr. - 30 na Chr.

Samenvatting — Lucas is de enige niet-Jood onder de vier evangelisten, en schrijft in de eerste plaats voor niet-Joden. Hij gebruikt veel minder typisch Joodse termen of legt die, waar nodig, uit. Ook Lucas introduceert Jezus als de nakomeling van David, nu via zijn moeder. Tegelijkertijd noemt hij Hem de ‘zoon van God’, als een tweede Adam, maar nu een Adam die niet faalt. In dit Evangelie ligt de nadruk op de eisen van discipelschap. Het tweede deel van zijn prediking – tot aan de intocht - wordt beschreven als één lange reis naar Jeruzalem, waar Hij zijn verlossingswerk tot stand moet brengen, door Zich te laten terechtstellen aan een kruis.

Opbouw van het evangelie

Veel van de gebeurtenissen die Lucas beschrijft zijn in principe dezelfde als die welke bij Marcus en Matteüs vinden. Maar Lucas presenteert ze vanuit het standpunt van discipelschap. Het bovengenoemde ‘tweede deel' van zijn prediking bevat echter materiaal dat we nergens anders vinden. Ook de gebeurtenissen rond Jezus’ geboorte en bij zijn eerste bezoek – op 12-jarige leeftijd – aan de tempel vinden we alleen hier. Ook Lucas beschrijft ons een reeks individuele genezingen, maar nu 24 van Joden en 2 van niet-Joden, en zonder een speciaal patroon daarin. Hiervan vinden we er 12+1 in het deel dat hij gemeen heeft met Marcus en Matteüs, en de andere 12+1 in die ‘reis naar Jeruzalem’, op weg naar zijn terechtstelling. Verder ligt er nadruk op het feit dat zijn volgelingen bereid moeten zijn Hem op zijn weg naar dat kruis te volgen: “Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn” (Lucas 14:27). Kenmerkend hiervoor zijn Simon van Cyrene, die Jezus’ kruis moest dragen, en (alleen hier) van de man aan het kruis naast Jezus, die –in tegenstelling tot Jezus’ discipelen – wel nog steeds gelooft in Jezus’ messiasschap. Daarmee wijst Lukas deze man aan als het prototype van de berouwvolle zondaar, die in geloof opziet naar de Verlosser, en met Hem ‘medegekruisigd’ is.

Als vervolg op zijn Evangelie schreef Lucas het boek de Handelingen der Apostelen.

Proloog — Aankondiging van de geboorten van Johannes de Doper en van Jezus. Hun geboorten. Lofzangen van Maria en Zacharias (de vader van Johannes de Doper) — hoofdstuk 1 – 2

Zijn ambtsaanvaarding — Het optreden van de heraut, Johannes de Doper. Zijn doop. Zijn afstamming via Maria. Zijn beproeving in de woestijn. Eerste optreden in Nazaret — hoofdstuk 3-4:30

Zijn prediking — hoofdstuk 4:31-9:50

De ‘reis naar Jeruzalem’ — hoofdstuk 9: 51 - 18: 14

Aankomst in Jeruzalem – Het laatste deel van de reis. De gebeurtenissen te Jericho. Zijn optreden te Jeruzalem. Laatste waarschuwingen. Het instellen van het Nieuwe Verbond tijdens zijn laatste avond met hen — hoofdstuk 18:15 - 22: 46

De confrontatie met de autoriteiten – Gevangenneming en verhoor door de Joodse Raad. Voor Pilatus en Herodes. De kruiisiging — hoofdstuk 22:47- 23: 49

De confrontatie met zijn volgelingen – Jozef van Arimatea moet zich nu openlijk een volgeling tonen. De opstanding. De ontmoeting met de Emaüsgangers. Zijn verschijningen aan de anderen — hoofdstuk 23: 50 - 24: eind

En in meer detail:

Het centrale thema van het evangelie van Lucas is discipelschap. En gezien zijn nauwe banden met de bekeerde schriftgeleerde Paulus mogen we hier ook zeker diens inzichten verwachten aan te treffen. En inderdaad zien we verschillende koppelingen tussen de kennelijke bedoelingen van Lucas’ beschrijvingen en de leer die we vinden in Paulus’ zendbrieven. Lucas begint, als niet-Jood, met nadrukkelijk aan te geven dat zijn verslag berust op informatie die hij heeft verzameld van ooggetuigen, en tenminste één van die ooggetuigen moet wel haast de jonge Wetsstudent Saulus van Tarsus zijn geweest.

Herkenning

Net als de andere evangelisten presenteert Lucas zijn verhaal als de vervulling van Gods beloften van verlossing, zoals te vinden in de profeten. Zowel de lofzangen van Maria, Jezus’ moeder, en Zacharias, de vader van Johannes de Doper, als de woorden van de engelen bij Jezus’ geboorte zijn één en al verwijzing naar deze beloften en aankondigingen. Maar bij Lucas ligt er een speciale nadruk op het herkennen van deze vervulling en van de persoon van de Verlosser. Want de verwachte wereldkoning komt niet ter wereld in een omgeving van luxe en koninklijke pracht, maar in een stal, en zijn ouders moeten een maand later, bij zijn voorstelling in de tempel, als voorgeschreven reinigingsoffer het offer van de armen brengen (Lucas 2:24, zie Leviticus 12:8). Dit zet velen op het verkeerde been, en hoewel het volk in die tijd wel degelijk zijn komst verwachtte, hebben velen Hem niet als Messias herkend. Maar de getrouwen, zoals Simeon en Anna in de tempel, hebben Hem wel herkend. En wanneer Hij dertig jaar later met zijn optreden begint (dat Lucas met de grootste nauwgezetheid dateert) laten velen zich overtuigen door het feit dat weliswaar niet zijn uiterlijke verschijning maar wel zijn daden Hem identificeren als ‘de beloofde Verlosser’:

Zeg tegen Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben: blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. (7:22)

Afstamming of bekering

Iets dat bij Lucas telkens weer naar voren komt, is het bekende misverstand van hen die menen zeker te kunnen zijn van hun behoudenis omdat zij tot de juiste groep behoren (in dit geval de afstammelingen van Abraham) terwijl de anderen (hier de niet-Joden) hooguit nog hoop op behoudenis hebben wanneer zij zich bij hen aansluiten. Vooral de Farizeeën huldigden deze opvatting, maar zij waren bij lange na niet de enigen. Keer op keer zien we dat ze daartegen worden gewaarschuwd. Zoals al meteen door Johannes de Doper:

Breng dan vruchten voort die met jullie bekering in overeenstemming zijn, en zeg niet bij jezelf: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan zelfs uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! (3:8, vrij vertaald)

Maar niet alleen heidenen, ook wie van hun eigen volk niet voldeed aan hun eigen strenge maatstaven van godsdienstige correctheid zagen zij als verloren:

Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis. ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de één was een Farizeeër en de ander een tollenaar. De Farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar.” (18:9-11)

De ‘uitgestotenen’

En zij gingen nog verder: zij vonden het zelfs niet de moeite waard zich te bekommeren om het terugwinnen van zulke uitgestotenen, want met zulke mensen ging je simpelweg niet om. Maar Jezus corrigeert dat keer op keer:

  • De Farizeeën en hun schriftgeleerden zeiden morrend tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’ Maar Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel;  ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars tot bekering.’ (5:30-32, aangepast aan de NBG’51)
  • ‘Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aanraakt, dat ze een zondares is.’ Maar Jezus zei tegen hem: ‘Simon, ik heb je iets te zeggen … Daarom zeg ik je: haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele, want ze heeft veel liefde betoond; maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde.’ (7:39-40, 47)
  • ‘Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.’ … Jezus zei tegen hem: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’ (19:7-10)

Deze passages vertellen ons niet dat behoudenis er in de eerste plaats is voor de ‘verworpenen en onderbedeelden’, zoals bepaalde moderne opvattingen willen, maar dat behoudenis er in de eerste plaats is voor wie zich zijn zonden bewust is en bereid is zich te bekeren. De fout van de bevoorrechten was niet dat zij rijk waren, maar dat zij meenden geen bekering nodig te hebben. Het werkelijke verschil was dat degenen die door de ‘maatschappelijk correcte’ godsdienstige wereld waren uitgestoten, veel sneller bereid waren hun leven drastisch te herzien, en dat zij ook des te dankbaarder waren toch te zijn aangenomen. Lucas heeft daarom veel te vertellen over zulke uitgestotenen, de ‘tollenaars en zondaars’, waar de gevestigde orde niets van wilde weten.

Galilea en Jeruzalem

Net als bij de anderen ligt er bij Lucas nadruk op het feit dat Jezus, alvorens Hij koning kon worden, eerst de lijdende knecht moest zijn. Maar die nadruk is bij Lucas groter en - belangrijker - hij trekt dat ook door naar wie zijn volgelingen willen zijn. Het begint al bij zijn ouders, nakomelingen van David en dus eigenlijk van koninklijke bloede. Met de vermelding dat er voor hen ‘geen plaats was in de herberg’ zet Lucas onmiddellijk de toon. En dat hij het verslag van Jezus’ optreden begint met het verhaal hoe Hij in Nazaret, ‘waar Hij was opgegroeid’, op een haar na is gelyncht (een gebeurtenis die zich in werkelijkheid pas later moet hebben afgespeeld) wil duidelijk illustreren dat ‘geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad’ (Luc. 4:24), wat Johannes later zal verwoorden als: ‘Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen’. Toch beschrijft Lucas ons zijn optreden als vooral gericht op het ‘provinciale’ Galilea, terwijl het meer ‘beschaafde’ Jeruzalem - vooral de religieuze elite - op Hem neerkijkt als een doe-het-zelf prediker die je niet serieus kunt nemen. Zijn laatste predikingscampagne wordt ons gepresenteerd als één lange reis naar Jeruzalem, waar Hij moet omkomen:

  • Toen de tijd naderde dat Jezus van de aarde zou worden weggenomen, ging hij vastberaden op weg naar Jeruzalem. (9:51)
  • Maar ik moet vandaag en morgen en de volgende dag op weg blijven, want het gaat niet aan dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem. (13:33)
  • Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan. (Lucas 18:31)

Er zit een duidelijke parallel tussen Lucas 3 t/m 9:50 en Marcus 1-9, en opnieuw tussen Lucas 18 e.v. vergeleken met Marcus 10:13 e.v. Maar terwijl bij Marcus de reis naar Jeruzalem wordt samengevat in 10:1-12, loopt dat bij Lucas schijnbaar van 9:51 (zie hierboven) tot 18:14. In werkelijkheid is Jezus in Lucas 9:51 nog niet op weg daarheen, maar van daar af heeft Hij wel ‘zijn aangezicht gericht om naar Jeruzalem te reizen’ (9:51, NBG’51). En in dat blok van 9:51 tot 18:14 vinden we allerlei informatie die kenmerkend is voor Lucas. Informatie die veel te maken heeft met het volgen (en navolgen) van Jezus, ook in nederigheid en bereidheid te worden verworpen. Het is als het ware een laatste oproep tot bekering voordat het te laat is.

De beslissende keuze

Dat loopt dan uit op de beslissende keuze aan het eind. Bij Lucas zijn het vooral de mensen die met Hem uit Galilea naar Jeruzalem zijn gekomen die bij zijn intocht roepen: ‘Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’; terwijl het de mensen van Jeruzalem zijn die (opgehitst door hun religieuze leiders) schreeuwen ‘kruisig hem, kruisig hem!’. En het is vooral Lucas die ons de keuze voorstelt als die tussen Barabbas (= de zoon van zijn vader), de moordenaar, en Jezus (de ‘zoon van God’), volgens Petrus in Handelingen 3:15: ‘Hem die de weg naar het leven wijst’. En het volk eist dat Jezus terechtgesteld zal worden (23:23) en het eist evenzeer dat Barabbas degene zal zijn die in vrijheid gesteld zal worden (23:25). En Pilatus, die Hem tot driemaal toe formeel vrijspreekt van de aanklacht, beslist ‘dat aan hun eis moet worden voldaan’.

Ook aan het kruis kiest de man aan zijn ene zijde de kant van het volk, dat Hem hoont, terwijl de man aan zijn andere zijde besluit dat, ondanks alle schijn van het tegendeel, deze man aan het kruis wel degelijk de komende wereldkoning is, die uiteindelijk zal beslissen over leven en dood. Ook Jozef van Arimatea moet plotseling kiezen of hij zich zal ‘verontreinigen’ aan een dode, wat hem zal uitsluiten van het Pascha van het Oude Verbond, door het lichaam van Jezus te redden van verbranding op de gemeentelijke vuilstort in het Hinnomdal (zoals waarschijnlijk met de beide anderen zal zijn gebeurd) door het te begraven in zijn eigen rotsgraf, wat hem onvermijdelijk zal komen te staan op uitsluiting van elk verder lidmaatschap van de Joodse Raad.

De vrouwen

Maar er is nog een categorie mensen waarop werd neergekeken, en waar Lucas meer dan de anderen aandacht aan besteedt: de vrouwen. En wanneer sommigen van die vrouwen vroeg in de morgen van de derde dag het graf leeg vinden, en vervolgens van engelen te horen krijgen dat Jezus leeft, toont Lucas ons hoe zij dat geloven, terwijl de mannen aan wie ze dat komen vertellen, niet weten wat ervan te denken; zelfs niet nadat zij zelf naar het graf zijn gegaan en hebben gezien dat de toestand daar inderdaad zo is als de vrouwen verteld hadden. En ook de rest van dat laatste hoofdstuk vertelt ons hoe moeilijk zelfs de verschijning van Jezus zelf hen kan overtuigen van de werkelijkheid van zijn opstanding. Dat is de allerlaatste les van Lucas: wie te vast zit in zijn opvattingen, mist zelfs het meest onweerlegbare bewijs van de werkelijkheid van de boodschap, zelfs wanneer hij dat met eigen ogen ziet.

Copyright © 2011 Broeders in Christus